Roth, Joseph – De Kapucijner Crypte

image_pdfDit artikel downloadenimage_printDit artikel uitprinten

Eldorado, 175 pagina’s

 

Vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog publiceert Roth in 1938 zijn Kapucijner Crypte waarin hij de lotgevallen van een Trotta schildert vlak voor, tijdens en na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Met het geslacht Trotta hebben we al eerder kennis gemaakt in zijn magistrale roman Radetzkymars. En tot mijn vreugde komen we ook in deze roman de legendarische graaf Chojnicki weer tegen die zo schitterend figureerde in de Radetzkymars. Sommige passages heeft Roth vrijwel letterlijk uit zijn eerdere roman overgenomen maar ze blijven heerlijk om te lezen. Verderop in deze roman komen we ook die buitengewoon bizarre en opmerkelijke grenskroeg van Jadlowker weer tegen, ook reeds bekend uit de Radetzkymars.

Een van de hoofdrolspelers in deze roman is de Joodse koetsier Manes Reisiger. Roth laat zijn hoofdpersoon Trotta naar aanleiding van diens kennismaking met Reisiger overpeinzen: “Ik kende indertijd een paar joden, zij het Weense joden. Ik had beslist geen hekel aan hen, en wel omdat in die tijd het positieve antisemitisme van de adel en de kringen waarin ik verkeerde, in de mode was geraakt bij conciërges, de kleine burgerij, schoorsteenvegers, behangers”. Een opmerkelijke passage waaruit we mogen destilleren dat de joden niet onder iédere vorm van antisemitisme even veel leden? We weten het niet, maar een merkwaardige passage is dit alleszins wel.

Even merkwaardig en zelfs cryptisch is het zevende hoofdstuk van deze roman dat als volgt begint: “Hier op deze plaats moet ik over een belangrijke kwestie spreken die ik, toen ik aan dit boek begon, gehoopt had te kunnen omzeilen. Het betreft namelijk niets meer of minder dan de religie”. Maar we worden niet gewaar waarom Trotta dit onderwerp had willen mijden of het moest zijn dat we uit de terloopse opmerkingen terzake op moeten maken dat het geen usance was in zijn kringen zich met het geloof bezig te houden, laat staan te engageren. Maar graaf Chojnicki had ook hieromtrent een expliciete mening: “”De roomse Kerk”, zo placht hij te zeggen “is in deze voze wereld het enig instituut dat nog vormen schept, vormen in stand houdt. Je kunt zelfs zeggen: het enige dat vormen schenkt. (–) Door het bestaan van zonden te erkennen vergeeft zij deze zonden reeds. Zij laat eenvoudig geen feilloze mensen toe: dat maakt de Kerk bij uitstek menselijk””.

Als Reisiger Trotta uitnodigt bij hem te komen logeren, wordt de indruk gewekt dat daar een bijzondere reden voor zou bestaan. Maar die verwachting wordt niet ingelost en Trota verblijft ook niet in de woning van Reisiger maar betreft kamers in een plaatselijk hotel. Het hotel was in die dagen een zeer gebruikelijke overnachtingplaats: toen Trotta nog thuis bij zijn moeder woonde was het zeer gebruikelijk dat hij de laatste uren van de nacht en de eerste van de nieuwe dag niet thuis doorbracht maar voor die enkele uren een hotelkamer huurde. Over de lotgevallen van Trotta zal ik hier in het geheel niet uitweiden. Zelf vindt Roth het niet de moeite om al te gedetailleerd de lotgevallen van zijn hoofdpersoon te vertellen en hij laat Trotta noteren: “Over de omwegen en over de rechte wegen waarop we naar Siberië kwamen, vertel ik niet. Wegen en omwegen spreken voor zich. Na zes maanden waren we in Wjatka”.

Pas in het 23ste hoofdstuk komen we de titel van het boek voor het eerst tegen. In 1618 liet keizerin Anna bij haar dood een som geld na aan de paters Kapucijnen om er een klooster en daaronder een grafkelder voor haar en haar gemaal keizer Matthias (1557-1619) te bouwen. De crypte werd de begraafplaats van de gekroonde hoofden van de keizerlijke familie Habsburg en hun aanverwanten. De lichamen van 147 personen, waaronder 13 keizers en 19 keizerinnen hebben er hun laatste rustplaats gevonden. Slechts één niet-Habsburger is er begraven: gravin Karoline von Fuchs-Mollardt, gouvernante en later vriendin van Maria Theresia. De laatste Habsburger die hier in 1989 werd bijgezet was Zita, de laatste keizerin van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Op een paar uitzonderingen na vonden alle Habsburgers hier hun laatste domicilie. En zo is de Kaisergruft een uniek document van 300 jaar Oostenrijkse geschiedenis. Naast eenvoudige kisten staan er overdadig versierde en pronkerige sarcofagen. Tin voert als materiaal de boventoon; het meest geliefde symbool op de kisten is het doodshoofd.

De Capucijner Crypte gaat over de ondergang van het k.u.k. Oostenrijk-Hongarije, de explosie van de dubbelmonarchie. De verschillende verhaallijnen kunnen als metaforen gelezen worden voor de teloorgang van een opmerkelijk rijk, een opmerkelijke cultuur en samenleving. En zoals altoos, weet graaf Chojnicki feilloos te formuleren waar het allemaal aan gelegen heeft: “Jullie wilden het niet zien: die Alpensukkels en Sudetenbohemers, die idiote Nibelungen hebben onze nationaliteiten net zo lang beledigd en geschandvlekt tot ze de monarchie zijn gaan haten en hebben verraden. Niet onze Tsjechen, niet onze Serven, niet onze Polen, niet onze Roethenen hebben de monarchie verraden, maar alleen onze Duitsers, het staatsvolk”.

Zoals al zo vaak gememoreerd: Joseph Roth is een geweldig schrijver, een van de groten uit de vorige eeuw. Iedere roman is een genot om te lezen. Zo ook deze Capucijner Crypte.

 

Enno Nuy

Juli 2007

 

 

Bron:

http://www.begraafplaats.org/terebinth/reis98/habsburgers.htm

2018-11-02T12:03:16+00:00