Het boekenweekgeschenk 2004 van deze nog jonge (geboren in 1956) maar al wel gevierde schrijver van prachtig proza als Gewassen vlees, Publieke werken en De nieuwe man. Werken waarin hij erin slaagt vergane tijden op een welluidende en prachtige manier te doen herleven; werken waarvoor hij veel en nauwgezet navorsingen moet plegen om de tijdgeest, de sfeer maar ook de bij zijn hoofdpersonen horende vaktermen juist te kunnen hanteren. Voor sommigen leidt deze benadering tot te archaïsch taalgebruik maar mij heeft het nimmer gehinderd, integendeel.

Dit boekje (92 pagina’s, uitgegeven door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) is weer zo’n typisch voorbeeld van het schrijverschap van Rosenboom. Met name het eerste deel waarin hij de wereld van de tango beschrijft is werkelijk prachtig en zinderend. En het verhaal lijkt de lezer naar een spannend en al even zinderende ontknoping te leiden. Dat laatste is evenwel niet het geval. Gaandeweg wordt in het verhaal een wat fladderende hippy-achtige dame met een India-connectie ten tonele gevoerd en ontstaan driehoeksverhoudingen die natuurlijk lastig en gecompliceerd zijn, die welhaast vanzelfsprekend verkeerd of dramatisch moeten eindigen.

Rosenboom heeft een open einde gecomponeerd maar eerlijk gezegd vind ik het feitelijke verhaal en zeker de ontknoping het zwakste deel van dit boekje. Rosenboom is duidelijk een schrijver die meer ruimte nodig heeft om tot een prachtige roman te komen. En daarin is hij een meester. Maar hij is er niet in geslaagd in deze 92 pagina’s tot een overtuigend plot te komen en ook de psychologie van zijn karakters roept nogal wat vraagtekens op.

Knap geschreven, dat wel. Zeker zoals gezegd, het eerste deel. Ikzelf, die niets met de tango heeft, werd door deze bladzijden direct gegrepen. Rosenboom kan het dus wel.

 

Enno Nuy 2004