Uitgeverij Bert Bakker, 2000,  374 pagina’s

We kennen Marcel Reich-Ranicki hier voornamelijk van het Literarische Quartett, het legendarische televisieprogramma waarin literaire carrières werden gemaakt en gebroken. Berucht is de bespreking van Ein weites Feld van Günther Grass waarin de jongste roman van de schrijver vernietigend besproken wordt. Reich-Ranicki laat zich zelfs op de cover van Der Spiegel portretteren als een criticus die het boek van Grass verscheurt. Een even opmerkelijke als wrange gebeurtenis. Juist voor de jood Reich-Ranicki zou zo’n scene onverteerbaar moeten zijn. Naar verluidt had hij er later ook wel spijt van.

Marcel Reich-Ranicki groeide op in Polen maar verhuist naar Berlijn in 1929. Na de opkomst van de nazi’s wordt hij naar Polen gedeporteerd en komt uiteindelijk terecht in het getto van Warschau. Samen met zijn in de haast gehuwde vrouw weet hij aan het vernietigingskamp te ontkomen. Na de oorlog heeft hij hoge verwachtingen van het communisme om al gauw gedesillusioneerd te raken in het naoorlogse Polen. Voor hem staat dan al vast dat hij het liefste als literatuurcriticus door het leven zou gaan. Een ambitie die hij uiteindelijk ook weet te realiseren. In Mijn leven schetst hij zijn levensloop. De flaptekst bestaande uit door de uitgever verzamelde perscitaten belooft meer dan ik heb gelezen.

We moeten Reich-Ranicki streng beoordelen, toetsen aan dezelfde hoge maatstaven waarmee hij andere auteurs de maat nam. Welnu, een goed schrijver vind ik hem zeker niet. Deze autobiografische schetsen zijn vooral beschouwelijke intellectuele overpeinzingen van een wat pedante man, die wel erg overtuigd van eigen kwaliteit is. En natuurlijk staat het boek vol met interessante namen, dat is ook een van de redenen waarom dit ondanks de eerder genoemde bezwaren wel degelijk de moeite waard is. Maar dat dit boek zich zou kunnen meten met het beste dat de Duitse literatuur de afgelopen eeuw heeft voortgebracht, zoals de uitgever ons wil doen geloven, nee, dat zou ook de criticus Reich-Ranicki zelf volmondig moeten ontkennen. En toch heb ik het boek met veel belangstelling gelezen en heb ik en passant ook nog een aantal Quartett-uitzendingen met veel plezier bekeken.

Want wat men ook van Reich-Ranicki vinden mag, de man wist wel ongelooflijk veel en kende, doorgrondde de Duitse literatuur als geen ander. Vooral zijn aantekeningen over de familie Mann zijn fascinerend. En ook de merkwaardige houding van de door mij bewonderde Joachim Fest in de door Ernst Nolte geïnitieerde Historikerstreit was voor mij geheel nieuw. De aantekeningen van Reich-Ranicki dwingen mij in ieder geval wel tot een herweging van Joachim Fest, zeker wat betreft diens Onbeantwoordbare vragen, waarin hij met name de persoonlijkheid Albert Speer onder de loep neemt. De door Reich-Ranicki beschreven scene waarin Fest hem plompverloren met Speer confronteert is uiterst pijnlijk en ongemakkelijk. Een scene die niet bepaald van fijngevoeligheid of beschaving getuigt. Anders gezegd: Fest dondert van zijn voetstuk.

Links en rechts laat Reich Ranicki wel een aantal zaken liggen. Hij begint een interessante beschrijving van zijn omgang met Walter Jens waarin hij wel melding maakt van een naderende breuk maar helaas komen we Jens in het vervolg van deze autobiografische schetsen niet meer tegen. En minstens even intrigerend is de opmerking van Reich-Ranicki dat hij niet uit de voeten kon met Ernst Jünger, reden om nooit een boek van deze op zijn zachtst gezegd opmerkelijke auteur te bespreken. Hier had de grote criticus wel wat genereuzer mogen zijn met argumenten. Wat was het dan dat hem in Jünger stoorde? Me dunkt dat juist een criticus van de Duitse literatuur niet om een niet onomstreden figuur als Ernst Jünger heen kon. Maar Reich-Ranicki verkoos hier te zwijgen. Jammer. Evenmin besteedt hij hier enige aandacht aan de controverse rond Ein weites Feld van Günther Grass. In retrospectu was het toch wel interessant geweest te lezen hoe Reich-Ranicki op deze kwestie terugkijkt.

Interessant ook vond ik de aantekeningen over het Duitse klimaat in de jaren zeventig en tachtig, waarin met name de studentenbeweging zich sterk deed gelden. De tijd waarin Martin Walser bepleitte wat meer aandacht te hebben voor gisteren in plaats van eergisteren. Anders gezegd, Walser meende of vreesde dat de Duitsers zich wel heel erg lang bezig hielden met het grote thema van de holocaust en hij wees erop dat het zich wentelen in het eindeloze schuldbesef de Duitsers niet verder zou helpen. Een mening die hem door velen ernstig kwalijk genomen werd, ook door Reich-Ranicki.

Dezelfde Walser die De dood van een criticus schreef, een boek dat nogal een storm in de Duitse literaire wereld veroorzaakte. De criticus in kwestie zou niemand minder dan de Duitse literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki zijn. De laatste had daar in zijn autobiografische schetsen best wat meer aandacht aan kunnen schenken. En er waren vast meer auteurs met wie hij gebrouilleerd raakte vanwege een minder positieve kritiek. Maar misschien was dit boek dan een keer zo dik geworden, zou hij op al die zaken nog eens ingegaan zijn. Maar sommige kwesties waren nu eenmaal brisant en daar zou ik graag over gelezen hebben.

Veel komen we over de persoon Reich-Ranicki niet te weten en ook dat is een omissie. Hij laat doorschemeren dat hij nogal eens moeite had met de huwelijkse moraal maar dat is dan ook de enige ontboezeming die we in dit boek tegenkomen, in indirecte en besmuikte zin overigens. Voor het overige presenteert hij zich als een man die erg zelfingenomen is. Het zij hem vergeven hoor, als we hem op zijn woord mogen geloven zijn de meeste schrijvers wel ijdeltuiten en narcisten.

Helaas is de vertaling van Mijn leven niet best. Het wemelt van de germanismen, er is sprake van een ‘nijging’ en elders worden schrikgodinnen ten tonele gevoerd, dan is er iets ’waarmee iemand op de hoogte is’ en nog veel meer onfraais. Jammer, maar ondanks dat ik het niet zo’n heel geweldig boek vond, heb ik er toch van genoten.

 

Enno Nuy

December 2015