Meulenhoff, 368 pagina´s

 

J.M. Coetzee noemt Javier Marías “een van de beste hedendaagse schrijvers”. Orhan Pamuk meent zelfs dat Marías de Nobelprijs verdient. En zo treffen we op de flaptekst nog meer uiterst lovende aanbevelingen aan. Een veilige aankoop, dacht ik. Maar, op pagina 167 beland besluit ik ermee op te houden. Het boek bevalt me niet, ofschoon het veelbelovend begint. Het probleem is dat er in het boek enkele welbespraakte personages optreden die stuk voor stuk telkenmale lang aan het woord zijn. Langer, veel langer dan te doen gebruikelijk in gesprekken tussen mensen. Ze trekken veel vergelijkingen, deze personages en ze slagen er telkens in hun uitgangspositie te vergelijken met tal van mogelijke voorbeelden. Maar na drie voorbeelden denk ik meestal: ja, ik heb het nu wel begrepen. Marías komt dan net op stoom en gaat nog vrolijk een hele pagina door.

The New York Times zegt hiervan: “Marías is een enorm erudiete schrijver. En hij schaamt zich niet om dat te tonen”. Dat mag zo zijn, maar mij gaat het storen, wanneer mensen pagina’s lang ononderbroken aan het woord zijn. Een van deze welbespraakte personages mag tijdens zijn georakel een brandende sigaret laten vallen op het tapijt van zijn gastvrouw om vervolgens doodgemoedereerd een nieuwe op te steken, zodat de gastvrouw de brandende peuk maar opraapt, voor haar zoontje dat kan doen. Zij blijft hierbij glimlachen en de schrijver laat haar geen enkel verwijt denken, laat staan uitspreken. En dat lijkt me toch echt onwaarschijnlijk, ik zou de vlerk, ongeacht zijn reputatie, zonder pardon mijn huis uit gedonderd hebben maar Luisa glimlacht.

Ik besloot de flaptekst maar eens te lezen, die ik meestal tot het allerlaatst bewaar. Tot mijn niet geringe verbazing werd daar de plot al onthuld, zodat verder lezen nu al helemaal geen zin meer had. Wat een veilige aankoop leek, werd zo een fikse teleurstelling. Het is niet anders.

 

 

Enno Nuy, Oktober 2012