Uitgeverij Wereldbibliotheekl, 191 pagina’s

 

Het leven voltrekt zich in jouw aanwezigheid maar vaak zonder dat je erbij stil staat waarom de geschiedenis nu juist deze koers heeft. Sandor Márai is zo’n schrijver die deze laatste vraag op een bijzondere manier stelt. Wat aan al zijn boeken opvalt is de rust, de kalmte waarmee hij schrijvend onderzoekt. Tegelijkertijd is er in veel van zijn boeken een onderhuidse spanning voelbaar die je als lezer het gevoel geeft dat de personages in het boek dat hij leest haast zouden moeten maken, de volgende stap zouden moeten zetten. Niet zo bij Márai die in zijn eigen tempo en onverstoorbaar zijn verhaal vertelt. Een verhaal, zoals De meeuw, dat zich ook in een kort verhaal zou laten mededelen maar dan zou het verhaal beperkt worden tot zijn plot en dat is niet waar het Márai om te doen is. Hij onderzoekt zijn karakters en vertelt van hun overwegingen, wederwaardigheden en twijfels, soms op een bijna minutieuze wijze. Je waant je af en toe in een Kafkaiaanse wereld omdat Márai, zeker in De meeuw, de fysieke omgeving in vage termen schetst, alsof de stad voortdurend wegschuift achter flarden mist. Het is onmiskenbaar Budapest, eenmaal noemt hij het stadsdeel Pest ook letterlijk maar echt relevant is dat niet. Zij het dat mijn beeld van die prachtige stad op een merkwaardige manier aansluit bij de beschrijving ervan door Márai.

Maar anders dan bij Kafka gaat het de schrijver niet om de machinaties en manipulaties van onzichtbare en niet of nauwelijks beïnvloedbare krachten en machten. Márai beschrijft het individu binnen de context van vooral de tijdgeest waarin het verhaal zich afspeelt. Maar die context lijkt niet van beslissende invloed, althans niet in de geschiedenis die onderwerp van de roman is. De hoofdpersoon in De meeuw is een hoge ambtenaar die juist bezig is de formuleringen op te schrijven waarvan de minister zich zal bedienen om de positie van Hongarije ten opzichte van de inmiddels al ontbrande wereldoorlog aan te geven, de formuleringen waarmee Hongarije een actieve, want onontkoombare rol op dit toneel zal gaan spelen. En ofschoon deze context een duidelijke rol speelt bij de ontrafeling van deze persoonlijke geschiedenis – die verteld wordt naar aanleiding van een geheimzinnig en in zekere zin opzienbarend bezoek dat de ambtenaar krijgt – gaat het uiteindelijk toch om slechts een bijrol. De geschiedenis eindigt even raadselachtig als zij begon maar ondertussen hebben we kennis genomen van een particuliere geschiedenis en de psyche van de man die haar onderging.

Dat Márai een groot schrijver was, behoeft geen nader betoog. Ieder nieuw uitgebracht werk van hem is daarvan hernieuwd bewijs.

 

Enno Nuy

September 2009