Wereldbibliotheek, 254 pagina’s

 

Giovanni Giacomo leefde van 1725 tot 1798 en is in de wereldliteratuur vooral bekend als Casanova, in welke hoedanigheid hij zijn naam geleend heeft aan een bepaald type man, de vrouwenversierder. Wij weten, Casanova was veel meer dan enkel de man die vrouwen stormenderhand veroverde: avonturier, reiziger, chroniqueur van zijn tijd en inspirator. Weinigen slechts hebben door het leven dat ze leidden zo veel anderen, ook lange tijd na hen, zo zeer geïnspireerd als juist deze Casanova. In de literatuur kennen we het recente voorbeeld van Arthur Japin die met Een schitterend gebrek een prachtig boek schreef. Van oudere datum is De gravin van Parma van Sándor Márai. In de prachtige uitgave van de Wereldbibliotheek helaas weinig concrete achtergrondinformatie over wanneer dit boek voor het eerst verscheen maar soit… Márai geeft in zijn voorwoord aan dat zijn hoofdpersoon weliswaar sterke gelijkenis lijkt te vertonen met de legendarische avonturier Giacomo Casanova maar dat hij in zijn roman alleen het tijdstip van diens vlucht uit de kerkers van de doge heeft overgenomen uit de memoires van Casanova. “Voor het overige’, schrijft Márai, ‘berust mijn roman op fantasie”.

De Casanova van Márai is vooral de vrouwenversierder, een wat pafferige charmeur met een weinig fraaie neus, beginnende kaalheid en een niet weinig ontwikkelde eigendunk. Een man die zich realiseert dat zijn bijna pathologische veroveringsdwang hem een verslaafde van zichzelf heeft gemaakt. Zijn energie was zozeer gericht op de veroveringskunst dat hij zich te weinig bezig hield met de karakters die hij in zijn armen nam. Misschien heeft hij zijn grote liefde ontmoet zonder zich dat te realiseren, hij heeft er niet op gelet en in spaarzame momenten van eerlijkheid bekent hij zichzelf zijn gebrek aan een open en zoekende blik, zijn gebrek aan diepgang en beseft hij dat hij niet alleen vele vrouwen onrecht heeft aangedaan maar ook zichzelf en passant beroofde van die ene enkele kans op zijn grote liefde. Als hij zich de vrouwen uit zijn verleden voor de geest haalt, vraagt hij zich af wie van hen zijn grote liefde geweest zou kunnen zijn. Er komen er toch nog heel wat voor in aanmerking maar Casanova kan niet meer achterhalen waar hij ten onrechte blind was voor wat voor het grijpen gelegen moet hebben. Zo ook de Gravin van Parma. Ook zij zou zijn grote liefde geweest kunnen zijn, hebben kunnen zijn. Deze roman bestaat uit de opmaat voor een hernieuwde kennismaking onder tamelijk bizarre omstandigheden. In het voorlaatste hoofdstuk komt dan eindelijk de gravin aan het woord en zij houdt een werkelijk grootse toespraak tot de man voor wie zij eens viel. Getuigend van de ultieme hartstocht maar even zo genadeloos is deze prachtige vrouw in een gesprek dat sterk doet denken aan de ontmoeting in Gloed, die andere schitterende roman van Sándor Márai. Zoals gezegd, deze Casanova is in de ogen van Márai een charmeur, en charlatan zelfs, struikelend over zijn eigendunk en als het erop aankomt toch vooral geneigd zichzelf te redden, als overwinnaar tevoorschijn te komen uit het gevecht dat hem opgedrongen werd.

Het zoveelste bewijs van een ongekend fraai schrijverschap. Er ligt nog veel onvertaald werk van Sándor Márai te wachten. Laten we hopen dat het allemaal tot de laatste letter toe vertaald zal worden. Ik kijk er reikhalzend naar uit.

 

Enno Nuy

Augustus 2005