Uitgeverij Xanten, 139 pagina´s

 

Wie debuteert er op zijn tweeënnegentigste? Dat is toch weinigen gegeven. Maar oud-leraar Nederlands, Maarten Looij, geboren in 1920, heeft zojuist zijn eerste dichtbundel het leven laten zien. Eerder verschenen van zijn hand Van fabeldier tot wrekend beest (Kwadraat 1988), Eros & de vrouw van de filosoof ofwel Plato voor beginners (Kok Agora 1991) en Een liefdesverhaal uit de achttiende eeuw. Herman en Dorothea een vertaling van Goethe (Uitgeverij Van de Berg, 1998). Voor deze bundel koos Maarten Looij een aantal van zijn gedichten uit, een oud Chinees verhaal in dichtvorm en honderd en een aforisme-achtige overpeinzingen en notities. In de bundel zijn tevens enkele tekeningen van Sam Drukker opgenomen.

Uiteraard refereert de titel van deze dichtbundel van een oud-leraar Nederlands aan Awater van Nijhoff ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. De dichter hecht eraan begrijpelijke taal te gebruiken om zijn verhaal te vertellen. Geen woord- of taalvernieuwing dus, geen syntactische of grammaticale raadselen. Desondanks vindt Maarten Looij mooie taal om uitdrukking te geven aan zijn gevoelens, zoals in Elegie: De plaats, de dag, het uur… wij weten ´t niet. – En hoe? Daarop komt ook het antwoord niet. – Maar eens gebeurt het toch, dat ik haar tranen / niet drogen kan… of zij de mijne niet.

De dichter houdt van humor en relativeren en hij toont zich een scherp waarnemer in onder andere een  gedicht over een kraai, die altoos de indruk wekt onderweg te zijn naar een receptie en de dichter doet veronderstellen: Maar waar blijven de andere gasten? / ’t Is groen en leeg zover hij ziet. / Misschien is hij te vroeg gekomen / of ’t is de juiste datum niet. Met een soort onderkoelde humor kijkt Looij om zich heen en beziet hij ook zijn eigen leven en die humor stelt hem in staat om met een zeker mild esprit naar zichzelf en zijn uiteindelijk lot te kijken., zoals in Crematie:

 

Wéér een crematie. ‘l Hoorde sprekers aan

en was met andermans verdriet begaan,

maar stiekem blij, omdat ik blijkbaar nog

op ’s levens conto een tegoed had staan.

 

Het spreekt vanzelf, dat ik niet weet hoe groot.

’t Blijve geheim, ’t is van belang ontbloot,

want wat het saldo ook bedragen mag,

’t is vast nog wel toereikend tot mijn dood.

 

Maarten Looij beschouwt zichzelf als een humanistisch vrijdenker. De godsidee is hem vreemd. Ontroerend zijn de gedichten die hij schreef naar aanleiding van het overlijden van zijn dochter. Zo’n moment waarop een mens geweldig op de proef wordt gesteld. Aan het eind van 2002 kon hij nog dichten: Maar als wij dan het lang gehoopte horen / dat alle angst verjaagt – en als de stemmen / der blijdschap luide jubelen – dan gloren / weer toekomstbeelden die wij lieten varen. Een jaar later echter bleek die blijdschap om een vermeend herstel ingehaald door de werkelijkheid: Onze weg / leidt verder / almaar verder/ tot onze laatste dag/ tot ons laatste uur / de laatse minuut / en er zal geen weerzien / geen weerzien zijn. Vele jaren hiervoor dichtte hij in Toekomstdroom: zo wou ik, dat ons leven worden zou: / een veil’ge veste in de bange nacht / der wereld rondom – schut van warmte en licht. / En in dit kleine bestek zou ik met jou, / zo droomde ik, gelukkig zijn en zacht / eventjes strelen soms jouw lief gezicht.

Hoewel de bundel geen specifiek thema heeft meegekregen, worden zijn gedichten hier gepresenteerd als zijn literair testament. De oud-leraar Nederlands kijkt terug op zijn leven en herinnert zich wat hem gelukkig maakte, wat hem pijn heeft gedaan, herinnert zich personen die hem om een of andere reden hebben geboeid, herinnert zich aanleidingen tot boosheid en verontwaardiging maar ook de dwaasheid van ons bestaan en de oppervlakkigheid.

Enkele van zijn meer prozaïsche overpeinzingen wil ik u hier op deze plaats niet onthouden:

Nijhoffs ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ (Awater) is een bruikbaar advies voor de heilige boeken waarvan sommige passages de gelovigen in een moeilijk parket kunnen brengen. (p. 117)

Onze tijd is er een van grote tankers. De grote denkers staan veilig opgeborgen in onze boekenkasten. (p 117)

Het zou passender zijn geweest als de broedermoord van Kaïn op Abel als de zondeval van de mens was beschouwd. (p. 119)

Elke goede daad die iemand doet ‘omdat hij Christen is’, kan ik alleen beschouwen als een storting op eigen rekening. (p. 125)

Voor wie houdt van “straightforward poetry” is dit Er staat wat er staat een prachtige uitgave. Met zorg uitgegeven ook en dat mag een moedige daad genoemd worden. Maar ik zeg u: het is de moeite waard!

 

 

Enno Nuy, november 2012