Dit was weer eens zo’n boek dat je in de boekhandel in je handen neemt, je bevoelt de kaft en vergaapt je aan de cover, je bladert er een beetje doorheen en denkt: moesten we maar doen. Dat bleek dus terecht, ook dit boek in een ruk uitgelezen, 226 pagina’s. Deze roman is in 1932 verschenen in Kroatie en het is met recht een magistrale roman genoemd. Het is geen vrolijk stemmend boek maar ik ken maar weinig schrijvers uit het interbellum die hoopvol en optimistisch in het leven stonden; alsof al die schrijvers en kunstenaars voorvoelden dat de waanzin van de eerste wereldoorlog slechts een opmaat was voor iets van een geheel andere orde van kwaadheid. Een groot deel van deze roman gaat over de kunst en de rol die de kunst kan spelen, zou kunnen worden toegedicht en het negatief daarvan: Filip is een schilder, een fauvist, die na jaren terugkeert in het dorp waar zijn moeder woont; destijds door haar verbannen omdat hij enkele nachten met plaatselijke sloeries doorbracht. Maar mama zelf heeft zich ook niet direct op de meest voorbeeldige wijze omhooggewerkt en heeft eigenlijk geen recht van spreken als het over moraliteit gaat. Pas in de laatste pagina’s wordt duidelijk wie de echte vader van Filip is, een vraag die hem reeds zijn hele leven lang bezighoudt. In die laatste pagina´s zijn we dan al wel in een hallucinerende wereld, een regelrechte apocalyps beland en het einde van het boek is ronduit schokkend, ook al weet je al heel lang dat er een verschrikkelijk einde aan zit te komen.

Daar hier meer over schrijven zou teveel van de plot prijsgeven en dat kan niet de bedoeling zijn van een boekbespreking. Dus beperk ik me hier tot enkele bespiegelingen over specifieke aspecten van het boek. Krleza (spreek uit: Kurlezja) hanteert een prachtige beeldende taal door reeksen van waargenomen details te noemen; dit doet hij bijvoorbeeld wanneer Filip in het plaatselijk cafe mistroostig zijn leven overdenkt of wanneer hij thuis bij zijn moeder rondloopt en de sfeer die daar hangt weergeeft; op dezelfde wijze en in hetzelfde soort beelden beschrijft hij flash backs uit zijn jeugd. Maar ook de geniale en waanzinnige Griek laat hij op deze wijze tot leven komen. Als hij over nevel en regen schrijft dan voel je de klamme kilte over je neerdalen.

Maar minstens zo belangrijk is al hetgeen hij niet beschrijft. Zowel uit het leven van Filip, Boba – de vrouw die hij op zijn manier bemint of misschien moeten we zeggen: de vrouw die zijn leven gaat beheersen -alsook uit het leven van de Griek Kyriales blijven tal van zaken, zelfs hele episodes onbelicht, vaag, onaangeraakt, geheimzinnig. Niet alle bewegingen, gevoelens of gedachten worden verklaard, de lezer blijft in het ongewisse of mag er het zijne van denken. Toch is dit nergens hinderlijk, desondanks heb je het gevoel dat je naar levende wezens zit te kijken, levende wezens die met elkaar een werkelijk waanzinnig einde naderen, een einde dat ze in grote lijnen zelf regisseren zonder zich – met uitzondering wellicht van de Griek – dit te realiseren.

Het boek gaat over de menselijke identiteit. Waaraan ontleen je je zelfrespect, je gevoel voor eigenwaarde, je bestaansgrond; hoe belangrijk is je achtergrond en de wijze waarop je opgroeide; in hoeverre ben je verantwoordelijk voor al hetgeen op je weg komt, waarin je een rol schijnt of lijkt te spelen; hoe ga je om met verantwoordelijkheden en schuld die anderen je toedichten? Zijn mensen zoogdieren die door een rare speling van het lot op hun achterpoten zijn gaan lopen en onderscheiden ze zich uitsluitend in negatieve zin van de andere dieren of heeft het leven een hogere zin, een hogere bedoeling. Zijn uitingen van menselijk gedrag, zoals bijvoorbeeld de scheppende kunst, in staat tot een abstractie en daardoor een hogere moraliteit of zijn het slechts uitingen van hoogmoed? Prachtig hoor, dit schitterende boek van een schrijver die geboren is en opgroeide in de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije (diezelfde tijd waarvan Benno Barnard schrijft dat het de tijd is waar hij het liefste aan terugdenkt; de dubbelmonarchie was een merkwaardig fenomeen want de koning was heerser over een multicultureel gebied met vele volken en nog meer talen en toch leek alles te kloppen in die dagen; het was onmiskenbaar een periode van grote bloei maar tegelijkertijd het interbellum; alsof intellectuelen en kunstenaars gewoonweg haast hadden om het beste uit henzelf te halen want de volgende catastrofe was reeds in aantocht!). Op zoek dus naar zijn volgende boeken!

Enno Nuy 2002