Uitgeverij Aspekt, 115 pagina’s met een nawoord van Jan Ipema

 

Wat zich aanvankelijk laat lezen als een buitengewoon merkwaardig verhaal, wordt gaandeweg een beklemmende en fascinerende roman. Het blijft onduidelijk waar deze geschiedenis zich afspeelt en ook over het tijdperk worden we weinig gewaar. Het lijkt te gaan om een Midden-Europees gebied dat aan de zee gelegen is en het gebeurde allemaal lang geleden, althans in een pre-industrieel tijdperk. Bovendien wordt het verhaal volledig in de verleden tijd tot ons gebracht waardoor de indruk ontstaat dat de verteller, die zelf inmiddels een grijsaard zou moeten zijn, verhaalt van een lang vervlogen geschiedenis.

Twee broers houden zich bezig met het beschrijven van de flora, een terrein waarop ook Jünger thuis geweest moet zijn gezien de vele beschrijvingen van planten en bloemen in deze korte roman. En het schrijven over en beschrijven van de pracht, praal en bloei van bomen en planten staat in een schril contrast tot de beschreven werkelijkheid, waarin een arcadisch landschap overvallen wordt door uiterst wrede bruten en vandalen. Vijandige hordes die de oorspronkelijke bewoners afslachten of doen vluchten, zich onderweg alles toe-eigenend wat op hun pad komt. “Diep is de haat jegens het schone die in minne harten brandt” schrijft Jünger, meteen een prachtig voorbeeld van de vele aforismen en vergelijkingen die de schrijver te berde brengt.

Hij maakt gewag van bewoners die bij nacht en nevel worden weggevoerd. Van “allen die ontsnapt waren aan provoost en beulshand, verdwaalde troepjes van de grote roversbenden uit Polen en van de Nederrijn, en vrouwen die slechts werken met de hand waarop men zit en die de schout buiten de poorten zet”. En er komen kramsvogels voor die vooral in Oost Europa nestelen, of Coquillards die in de vijftiende eeuw bandietentroepen in Noord Frankrijk vormden en griffioenen nemen deel aan de strijd. Nog zo’n prachtige zin luidt: “De menselijke ordening komt in zoverre overeen met de kosmos dat zij zich van tijd tot tijd in vuur moet dompelen voor een wedergeboorte”.  Eén zo’n zin maakt een boek al waardevol, dit boek staat er vol mee! Zoals “Het woord, de vrijheid en de geest vormen een drie-eenheid”. Of: “En vol vreugde drong het weten tot ons door dat de vernietiging haar bakermat niet vindt in de elementen en dat haar illusie slechts het oppervlakte rimpelt als mistflarden die geen stand houden in het zonlicht”. Of: “…dat dit de zin van het leven was – de schepping herhalen in het vergankelijke, zoals het kind in zijn spel het werk van zijn vader herhaalt”. Of: “Erfgoed is het bezit van doden”.

Er is driftig gepolemiseerd over deze roman waarvan de schrijver zelf hardnekkig ontkende dat er een relatie zou zijn (bedoeld) met de duistere jaren der nazi ‘s. Het boek verscheen in 1939 en er is inderdaad weinig fantasie vereist om voor de wilde horden bruinhemden te lezen. Maar Hitler hield Jünger de hand boven het hoofd en de roman kon zonder noemenswaardige problemen gepubliceerd worden. In zijn nawoord merkt Jan Ipema, schrijver van een tweedelige biografie van Ernst Jünger, op: “Zelf zegt Jünger dat de roman minder tot het terrein van de literatuur behoort dan tot dat der visioenen:’….als voorbeeld voor wat men in Westfalen en ook bij ons in Nedersaksen de ‘voorbrand’ noemt.’ Veel gemystificeer derhalve en Thomas Mann schreef dat hij Jünger prefereerde boven “het humanistische kwispelstaarten en vervalste dagboeken vol lijden van zekere renegaten en opportunisten. Maar Ernst Jünger belichaamt niet bepaald de hoop voor de ‘Duitse democratie’.”

Het wordt tijd voor de biografie van Ernst Jünger, die uiteindelijk leefde van 1895 tot 1998.

 

Enno Nuy

November 2008