Ipema, Jan – Ernst Jünger

In dienst van Leviathan & Tegen de stroom

Uitgeverij Aspekt

 

Als op 22 september 1984 president Mitterand en Bundeskanzler Kohl in Verdun hand in hand de Eerste Wereldoorlog gedenken en Mitterand eraan herinnert dat mémoire langzaam maar zeker is overgegaan in histoire, is Ernst Jünger een van de genodigden. Jünger is in 1895 geboren, hij nam actief deel aan de beide wereldoorlogen, raakte in de eerste zeven keer meer of minder ernstig gewond, werd onderscheiden met de hoogst denkbare eretekenen, was een vermaard entomoloog en geëngageerd schrijver van talloze artikelen, boeken, romans en dagboeken. Hij was een gerespecteerd militair die vele artikelen publiceerde over de techniek van oorlogvoering, technieken die op de militaire academies werden  onderwezen en daadwerkelijk in de oorlogspraktijk werden toegepast.

Er is een fraaie documentaire* van Walter Rüdel onder de titel “Ich widerspreche mich nicht…” uit 1977 waarin de dan tachtigjarige Jünger uitgebreid vertelt over zijn opvattingen en wederwaardigheden. ‘Materialschlacht’ is een van de begrippen die daarin voorkomen, een begrip waar Jünger in zijn werk veelvuldig aandacht aan schonk. Hardop mijmert hij: “de techniek heeft alles bedorven, inclusief de oorlog”. Als hij over ‘oorlog’ spreekt, doelt Jünger vooral op de klassieke oorlog zoals ten tijde van de Grieken en Romeinen of de Napoleontische oorlogen. Maar in de Eerste Wereldoorlog, waar de Engelsen hun manschappen met bajonetten op de mitrailleurs van de Duitsers afstuurden, was eigenlijk al geen sprake meer van een klassieke oorlog.

Op 18-jarige leeftijd meldde de jonge Jünger zich aan bij het Vreemdelingenlegioen in Afrika, niet om er te dienen maar als opstap naar het avontuurlijke continent dat Afrika hem toescheen. Pogingen het legioen te ontvluchten mislukten echter en het was aan zijn vader te danken dat hij heelhuids het vaderland weer wist te bereiken. Een jaar later betreedt hij het slagveld van WO I. Hoewel “im Felde unbesiegt” moest het Duitse leger uiteindelijk het onderspit delven, niet bestand tegen de numerieke meerderheid die met name de Amerikanen aan het einde van de oorlog op de been wisten te brengen. Bij de Vrede van Versailles werd Duitsland – ten onrechte zoals Christopher Clark later aan zou tonen – als de grote schuldige aan deze oorlog uitgeroepen en veroordeeld tot astronomische herstelbetalingen van meer dan tweehonderd miljard Rijksmark terwijl bovendien grote gebiedsdelen aan Frankrijk moesten worden afgestaan. De wereld zou al snel ervaren welke diepe wonden Versailles wist te slaan in de Duitse ziel, ook al waren politici bereid omwille van de vrede de besluiten van Versailles ten uitvoer te brengen. Zo kon de dolkstootlegende ontstaan, het sentiment dat de opmaat vormde voor het donkerbruine gedachtegoed.

Na die oorlog – Jünger blijft in dienst van de Reichswehr tot 1923 – brengt hij zijn tijd vooral lezend, schrijvend en studerend door. Jünger leest alles en is met name onder de indruk van Goethe en Spengler. Vele van de geschriften van zijn hand worden door hem later weer geredigeerd maar vrijwel altijd zonder die ingrepen achteraf te verantwoorden. Zelf zegt hij daarover: “Das Wort kann das schweigende Sein, dem es entstammt, nie wirklich fassen”. Voor Jünger is de oorlog “unser Vater, er hat uns gexzugt im glühenden Schosse der Kampfgräben als ein neues Geschlecht”, hij liet zich inspireren door Nietzsches das Leben ist eine Folge des Krieges. En zo werden begrippen als ‘Materialschlacht’, Ästhetik des Schreckens’, ‘totale Mobilmachung’ en ‘Stahlgewitter’ centrale begrippen in het denken van Jünger. Hij heeft de soldaat gestileerd tot de moderne versie van de steppemens, de anonieme strijder die de wapens oppakt om de nieuwe orde te bewerkstelligen. Niet ‘de goede zaak’ maar de ‘goede strijd’ staat centraal. Hitler dacht daar overigens niet anders over.

In Duitsland is inmiddels de Weimarer Republik uitgeroepen, een van de meest turbulente periodes uit de Duitse geschiedenis. De Duitse samenleving leek wel een hoge druk pan. Jünger stelde zich vooral op als waarnemer, als toeschouwer in die jaren, waarin hij zich steeds meer ontpopte als een conservatieve revolutionair. Spengler en vooral Moeller van den Bruck waren de herauten van die stroming, waartoe aanvankelijk ook Bertold Brecht werd gerekend. Jünger hierover: “Unser Heldentum ist nicht das duldende, das mag für den indischen Menschen passen, das unsere ist das der Tat, in der die unsichtbare Kraft die sichtbare Welt in die ihr dunkel vorschwebenden Bilder zwingt”.

Het verheerlijken van het klassieke oorlogsconcept en zijn vele oorlogsboeken en artikelen over de techniek van oorlogsvoering hebben Jünger het verwijt opgeleverd dat hij aldoende de opmaat vormde, de weg bereidde voor het latere nationaal-scocialisme. Ipema, de biograaf, gaat dat onderzoek helaas uit de weg. Het is evenwel een gegeven dat de Duitse samenleving in al haar geledingen ernstig getroffen werd door de onrechtvaardigheid van Versailles, dat vele kringen hunkerden naar een sterke man, dat zeer vele partijen of groeperingen weinig of niets moesten hebben van democratie of kapitalisme, dat zeer zeer velen bereid waren tot een nieuwe oorlog om een nieuwe orde mogelijk te maken en misstanden uit het verleden uit de weg te ruimen. Wie voor wie de weg bereidde? Zoveel is zeker dat de nazi’s het pleit in hun voordeel beslechtten, niet in de laatste plaats door middel van een niets en niemand ontziende terreur. Toen Goebbels in 1926 Jünger voor de nazi’s trachtte te winnen, ving hij tot zijn grote ergernis en frustratie echter bot. Desalniettemin blijft Jünger Hitler met een zekere belangstelling volgen, ofschoon hij daarbij wisselend in zijn oordeel is: “der Mann hat recht”, “der Mann ist lächerlich” en tenslotte “der Mann wird unheimlich”.

Maar terug naar de conservatieve revolutie. Ipema zegt hierover: deze is in feite als tegenpool van verlichting en rationalisme een voortzetting van de romantiek en als zodanig in Duitsland sterk vertegenwoordigd, gesteund door de irrationele stroming van Nietzsche en Spengler  markante vertegenwoordigers waren. Ook de ‘Mut zum Abgrund’ is een wezenskenmerk va de conservatieve revolutie. De oorlog is een elementaire levenswet die een mystiek element bevat en daardoor onttrokken is aan het denken in morele categorieën. En met de mystiek komt de nadruk steeds meer op het Völkische te liggen, oude sage en legende, de Ura Linda onder andere, doen hun intrede. Bloed en ras geraken in het vocabulaire. Ipema: “Levensfilosofie, de wil tot leven, de wil tot macht, nihilisme, de nieuwe, aristocratische mens versus de door christendom, socialisme en democratie geschapen mens met de “Sklavenmoral”, sociaal-darwinisme: het ligt allemaal gereed en wordt naar believen gebruikt en geïnterpreteerd. Het is exegese”.  Ook een Thomas Mann heeft zich op dit pad begeven om uiteindelijk afstand te nemen en zich te bekeren tot de democratie.

Jünger maakt dan nog een extra onderscheid tussen Schickslagemeinschaft en Blutgemeinschaft. Het blijft moeilijk grip te krijgen op het gedachtegoed van deze Jünger en het wordt alleen maar ingewikkelder als hij zijn ideeën omtrent de arbeid uitwerkt. Veel met de dagelijkse werkelijkheid hebben die echter niet van doen. Jünger: “Voor wie als een Krieger denkt, kan geen probleem van sociale aard bestaan en zijn looneisen uit den boze”. De arbeider van Jünger is een soldaat in vredestijd. En het is Jünger die de ‘Vorherrschaft des Frontsoldaten im Staat’ eist, en zo wordt hij een wegbereider van de dictatuur, de Führergedanke.

Aanvankelijk is Jünger gecharmeerd van Mussolini maar daar komt hij later op terug, zoals hij uiteindelijk ook niet voor Hitler zal vallen. Zo blijft Jünger de ‘Beobachter’ aan de zijlijn. Ook Jünger was joodvijandig, zoals iedereen die dagen in heel Europa en zelfs in Amerika. Maar hij had weinig op met het rabiate antisemitisme van de nazi’s. Tegen een orthodoxe jood bestonden zijnerzijds geen enkele bezwaren maar de geassimileerde jood, zei Jünger: “is niet in staat tot echte scheppende arbeid met eeuwigheidswaarde, althans binnen  de Duitse cultuurgemeenschap”. Wat ontbrak waren “Blut und Seele”. Als aan het begin van de jaren dertig tal van kunstenaars en schrijvers Duitsland verlaten, ontstaat de zogeheten ‘Exilliteratur’. Anderen echter, onder wie Jünger, blijven achter. Men spreekt dan vaak van ‘Innere Emigration’. Jünger heeft zich altijd verzet tegen die kwalificatie. Ipema hierover: “Hij meent, verkerend in wat hij een Schicksalsrausch noemt, de wisseling van de macht op 30 januari (1933) vreugdevol te moeten begroeten en geeft daar in woord en geschrift blijk van”.

Terwijl Duitsland onder de nazi’s doende is een totalitaire staat te worden is Jünger op zoek naar “de wereld van de visser en zijn elementair handwerk, de oeroude bedrijvigheid van de markt, het offer aan de wijngod Bacchos, de landbouwer en de herder, veelal analfabeet, maar terend op mondeling overgeleverde wijsheid en inzichten”. Dat is ook de wereld waarin de klassieke oorlog haar louterende rol kan spelen. Oorlog zou er komen, loutering evenwel bleef uit.
Jünger bleef in Duitsland, al was het maar omdat het niet in zijn aard lag problemen uit de weg te gaan. Er was veel aan te merken op de nieuwe machtshebbers maar Hitler had het aanzien van Duitsland in de wereld sterk verbeterd en met de “Nacht van de lange messen” was er toch maar mooi afgerekend met de willekeurige terreur van de SA. Economisch ging het beter en de werkloosheid bedroeg nog maar twee procent. Ten koste van een stijgende staatsschuld, dat wel.

Ipema: “Opvallend is dat de jongste lichting van de intelligentsia, nog gevormd door de ideeënwereld van  da ‘Jugendbewegung’ maar net nog te jong voor deelname aan de Wereldoorlog, veelal tot de SS toetreedt, met name tot de Sicherheitsdienst. Uit hun rijen komt niet zelden het type van de onsentimentele ss-technocraat, de ‘social engineer’ voort. Jünger zal ze later ‘Mauretaniër’ noemen, ‘kalte Techniker der Macht’ die der zone van het nihilisme nog niet achter zich hebben gelaten’. Terecht wijst Ipema erop dat Hitler zou zijn herinnerd als een van de grote Duitse leiders, ware hij in 1937 overleden: er had zich onder zijn leiding een Wirtschaftswunder voltrokken, de werkloosheid was nagenoeg geheel teruggedrongen, Duitsland had zich herbewapend en beschikte over  het sterkste en meest wendbare leger van Europa, hij had de bruinhemden van de SA een halt toegeroepen en had de meeste van zijn tegenstanders voor zich weten te winnen. Gertrude Stein was zelfs van mening dat Hitler in aanmerking kwam voor de Nobelprijs voor de vrede! **

In 1939 verschijnt Auf den Marmorklippen. Ipema wijdt vele pagina’s exegese aan dit intrigerende werk en komt met analyses die ikzelf als argeloos lezer nooit heb kunnen maken. Zijn verklaringen klinken uitermate plausibel maar vergen onmiskenbaar veel voorstudie en voorkennis, kennis waarover een gewone lezer nu eenmaal niet beschikt. Toen ik het raadselachtige boek las was ik me ervan bewust het niet geheel te hebben kunnen doorgronden. Desalniettemin maakte het veel indruk ook al neemt dat niet weg dat Jünger een “moeilijk schrijver” is, lastig te doorgronden in ieder geval. Zijn versluierde taal vol symboliek en beeldspraak stelde hem tevens in staat overeind te blijven in polemieken waarin politieke tegenstanders hem mee probeerden te sleuren. Maar die raadselachtigheid verleende hem tevens een bepaalde mate van (geestelijke) wendbaarheid, voor velen aanleiding hem te verdenken van wegbereiderschap of erger nog: collaboratie. Wat in ieder geval opvalt in het werk van Jünger is de totale afwezigheid van enig moreel oordeel. Ipema: “Het is duidelijk: Jüngers geschiedbeeld wordt gedragen door de gedachte dat alles wat ontstaat waard is dat het te gronde gaat. Uit de as verrijst het nieuwe huis”.

In augustus 1939 wordt Jünger twee dagen voor de Duitse inval in Polen opgeroepen voor actieve dienst, hij is dan 44 jaar en wordt meteen bevorderd tot kapitein. Hij krijgt bij aanvang voornamelijk bezettingstaken toegewezen in het noorden van Frankrijk en keert na de Franse overgave terug naar Duitsland om in 1941 in Parijs te worden gestationeerd. De Fransen zijn niet bepaald afkerig van een nauwere samenwerking met de bezetter, al was het maar om deze gunstig te stemmen jegens de Franse krijgsgevangenen. Ook bestond er in Frankrijk een wijd verspreid antisemitisme en werden joden, vrijmetselaars, democraten en communisten breed – ook door de katholieke kerk – gezien als vijanden van het volk. De Vichy-regering van Pétain was op zijn zachtst gezegd meegaand met de Duitse bezetter. Andersom hadden de Duitsers respect en bewondering voor de Franse cultuur en in dat klimaat kwam Jünger in Parijs te werken. Hij zou er tot augustus 1944 blijven en maakte er deel uit van een Duits-nationaal denkende groep verklaarde tegenstanders van Hitler. Langzaam maar zeker dringen de Duitse gruweldaden tot de Parijse officieren door en Jünger raakt er al snel van overtuigd dat Duitsland deze oorlog niet zal winnen.

Van het vooruitgangsgeloof van Kant moet Jünger niets hebben. Vrede kan niet bereikt en behouden worden door de ideeën van de Verlichting in de praktijk te brengen. Jünger meent dat christendom en humanisme nodig zijn om de mens in het gareel te houden. Rechter, leraar, arts en ambtenaar zouden dan ook christelijk moeten zijn om hun ambt überhaupt uit te mogen oefenen. Een tamelijk merkwaardige kunstgreep van een man die van zichzelf zegt: “Ich muss mir Gott zunächst einmal beweisen, ehe ich an ihn glauben kann”. Eind 1944 neemt Jünger ontslag uit het leger, men laat hem volgaarne gaan.

In dit tweede deel confronteert Ipema ons vooral met de filosoof Jünger maar mij raakt hij daarbij grotendeels kwijt. De lange passages over het nihilisme en de relatie tot Heidegger en Nietzsche zijn aan mij, bepaald geen filosoof, niet besteed. Ze veronderstellen immers uitgebreide voorkennis, kennis waarover ik niet beschik. Gesloten, bijna onleesbare teksten, waarvan ik vooral de typering “een in mythisch denken gedrenkte beschouwing” onthoud, een kwalificatie die mij op vele, zo niet alle teksten van Jünger van toepassing lijkt. Met schrijvers als Heinrich Böll, Gunther Grass en Martin Walser, behorend tot de Gruppe 47 – die 1945 als het nulpunt beschouwen – heeft Jünger niets gemeen. Maar ook met Thomas Mann voelt hij geen verwantschap. Ipema: “de neiging van de Duitser tot het archaïsch-demonische, gebondenheid en onvrijheid, trok niet direct Jüngers belangstelling”.

In een hoofdstuk over astronomie als kosmische bron wordt het zelfs warrig als Ipema de begrippen ‘astronomie’ en ‘astrologie’ door elkaar gebruikt. Wat te denken van de volgende passage: “De periodiseringen vinden nu plaats onder het aspect van de sterren en worden bepaald door kosmogonisch, geologisch en meteorologisch verloop. Dat betekent dat de veranderingen niet meer van wereldhistorische maar van geohistorische aard zijn”. Ik ben dan allang afgehaakt.

In de jaren zestig zien we met name de studentenbewegingen zich afzetten tegen de oudergeneratie. Er worden lastige vragen gesteld, ontwijkende antwoorden gegeven, de vraag van de Kollektivschuld wordt opgeworpen, de buitenparlementaire acties APO doen hun intrede, de Rote Armee Fraktion houdt het land in het hierop volgende decennium jarenlang in zijn greep. Jünger doet niet mee aan de discussies. Hij is geen bepleiter van de democratie die in zijn ogen niet meer is dan de macht van het getal. Jünger is vooral bezig met zijn verzameld werk, waarin hij veel redigeert en schrapt, zonder daaromtrent verantwoording af te leggen. En hij reist, reist veel, over de hele aardbol.

In de jaren zeventig maakt Jünger kennis met geestverruimende middelen en experimenteert hij met LSD, cannabis en paddenstoelen. In de jaren tachtig trekt hij zich steeds meer terug uit het openbare leven en verwondert hij zich over de blijvende belangstelling voor zijn persoon. Hij wordt door de toenmalige president Mitterand op de Champs-Elyssees ontvangen en later zullen Kohl en Mitterand hem thuis een tegenbezoek brengen. Jünger had nog steeds niet veel op et vertegenwoordigers van een (democratisch en kapitalistisch) systeem waar hij nu eenmaal principiële bedenkingen tegen had maar liet hem de eer welgevallen. Na een storm van vooral politieke kritiek wordt hem in 1982 de Goetheprijs toegekend.

Zijn kritikasters verwijt hij dapperheid post festum. Het is nogal gemakkelijk om zoveel jaar na die tragische periode te stellen dat Jünger steviger afstand had moeten nemen van de nazi’s. Jünger: “Als ik had geschreven “”Mit euch Schweinen will ich nichts zu tun haben”” dan had ik een dag later in het concentratiekamp gezeten”. Ook wijst hij er nog eens op dat de nazi’s hem nooit enige prijs of loftuiting hebben toegekend, dus zo waardevol zal hij voor hen niet geweest zijn. Wat mij persoonlijk betreft houdt het verwijt dat Jünger mede-wegbereider was voor de nazi’s absoluut geen stand, ook al denkt Jan Ipema daar genuanceerder over.

Over de hereniging van de beide Duitslanden is Jünger zeer positief en hij is van mening dat met name bondskanselier Kohl daarvoor alle lof verdient. Als Kohl enkele jaren later wordt opgevolgd door Schmidt, schrijft Jünger: “Habemus papam – ein Helmut geht, ein Helmut kommt”. Stilistisch prachtig natuurlijk. Jünger is ervan overtuigd dat de geschiedenis van de mens ten einde is. De kans op een (nucleair) verkeersongeluk dat een einde maakt aan de soort homo sapiens acht hij levensgroot aanwezig. Op honderd en eenjarige leeftijd treedt Jünger toe tot de rooms katholieke kerk. Voor hem was geschiedenis vooral een mythische herhaling van het lijden. Al in 1945 – hij leest dan de kerkvaders en het Oude en Nieuwe Testament en merkt daarbij op dat sommige lektuur de kracht van een inenting heeft – schrijft hij: “Wir müssen den Weg, den Comte vorgezeichnet hat, zurückfinden: von der Wissenschaft über die Metaphysik zur Religion”. Jünger zou graag de eeuwwisseling nog hebben meegemaakt, rookt dagelijks twee sigaretten en drinkt daar sherry bij en maakt geregeld wandelingen. Op 17 februari 1988 overlijdt hij. Zijn huis in Wilflingen is gefixeerd op zijn sterfdag en tot een museum gemaakt. Ipema: “Ernst Jünger, de ‘omstreden Duitse schrijver’, is een museum”.

Een paar woorden over de biograaf. In de beide delen komen hinderlijk veel Duitse citaten en Latijnse spreuken voor die helaas onvertaald blijven. Alsof iedere lezer die zomaar begrijpt. Ik in ieder geval niet, ondanks mijn zeven jaar onderricht in Latijn en Grieks. En ook het Duits is zonder woordenboek niet te lezen, zeker wanneer het onderwerp ‘filosofie’ aan de orde is. Ook valt Ipema nogal eens in herhaling en worden hele passages of citaten herhaald. Een biografie kan men dit werk niet noemen, informatie over Jünger als privé persoon ontbreekt vrijwel volledig. Ipema is historicus, eerder dan biograaf en hij beschrijft in deze beide werken vooral de Europese geschiedenis aan de hand van het leven van Ernst Jünger. Geeft niks, het is een buitengewoon interessante en doorwrochte studie geworden, onontbeerlijk voor wie meer te weten wil komen over die intrigerende Duitser.

Wat maakt Jünger nu zo interessant en belangwekkend? In de eerste plaats is het zijn levensloop die enorm tot de verbeelding spreekt. Actief deelnemen als militair aan twee wereldoorlogen, in de eerste daarvan zeven keer gewond geraakt, gedecoreerd met de hoogste onderscheidingen om zich en passant uit het krijgsgewoel terug te trekken en zich te ontwikkelen tot een uomo universale. Hij studeert en bedrijft wetenschap, wordt een internationaal vermaard entomoloog, blijkt een buitengewoon productief schrijver en is thuis op het gebied van kunst en cultuur in de meest brede zin. Tot slot blijft hij honderd en twee jaar lang een man die op buitengewoon vitale wijze deelneemt aan het maatschappelijke en culturele debat.

Jünger is zijn leven lang ver van de politiek gebleven, hij voelde zich er niet thuis en zo is hij ontkomen aan een door de nazi’s gestigmatiseerd imago. Desondanks is hem altijd een nationaal-socialistische tendens toegedicht. Ten onrechte, naar mijn mening. Jünger is een echte anarchist, tegendraads inderdaad tot aan zijn dood. Hij was en bleef sceptisch ten aanzien van de democratie en vooral het kapitalisme. Hij was geen verheerlijker van oorlog maar betoogde wel dat een nieuwe orde alleen door oorlog kan worden bewerkstelligd. Tegelijkertijd was hij een romanticus, die veeleer de beelden uit de klassieke oudheden voor ogen had dan de jongste ervaringen op het wereldtoneel.

Zijn Op de marmerklippen heeft op mij diepe indruk gemaakt evenals Oorlogsroes (In Stahlgewittern), voor het eerst verschenen in 1920 en in herdruk uitgebracht in 2014 door de ArbeidersPers. Jünger, de Beobachter, wat een leven! Zou er een heuse biografie van hem komen, ik zou hem subiet aanschaffen. In de tussentijd kan ik u de beide delen van jan Ipema, ondanks de bedenkingen hier en daar, van harte aanbevelen.

 

Enno Nuy, september 2014

 

* https://www.youtube.com/watch?v=gv5p2kAytcc&list=PLFBDA3289F3B87E44)

**Zie de volgende link: http://www.ihr.org/jhr/v16/v16n5p22_Weber.html

“Stein’s seemingly paradoxical views about Hitler and fascism have never been a secret. As early as 1934, she told a reporter that Hitler should be awarded the Nobel peace prize. “I say that Hitler ought to have the peace prize, because he is removing all the elements of contest and of struggle from Germany. By driving out the Jews and the democratic and Left element, he is driving out everything that conduces to activity. That means peace … By suppressing Jews … he was ending struggle in Germany” (New York Times Magazine, May 6, 1934).”