ambo | anthos, 276 pagina’s

 

In 2019 verscheen Benedenwereld van Robert Macfarlane, een prachtig bijna poëtisch verslag van zijn tochten onder de grond op diverse plaatsen van onze aardbol. Daar is nu Ondergronds van de Amerikaanse journalist en schrijver Will Hunt bijgekomen.

Met zijn duisternis is de ondergrond het meest abstracte landschap van onze planeet, altijd meer een metafoor dan een ruimte, aldus Hunt. Mij lijkt dat een mooie observatie en hij voegt daar aan toe dat wij ondergronds eerst en vooral associëren met illegaliteit, iets wat verboden is. Als visuele schepselen – Diane Ackerman, auteur en natuuronderzoeker, schreef eens “onze ogen zijn de grote monopolisten van onze zintuigen” – vergeten we de ondergrond.

Al heel snel daalt Hunt af in de fascinerende ondergrondse wereld van NYC en hij leunt daarbij sterk op zogeheten ‘urbexers’ die hem voorgingen. Spannend, onderhoudend en interessant zijn de belevenissen van Steve Duncan (zie undercity.org) die de schrijver later ook zal vergezellen tijdens een tocht door ondergronds Parijs.

Dat ondergronds Parijs werd overigens al uitvoerig(er) beschreven door Robert Macfarlane. Dit keer  trok, liep, kroop Hunt samen met Steve Duncan en enkele anderen onder de grond van Porte d’Orleans naar Place de Clichy, een tocht van tien kilometer die niet eerder was volbracht en die een dag of drie zou vergen.

Ook Hunt maakt, in navolging van Macfarlane, melding van champignonkwekers onder de Parijse grond maar hij vermeldt een incidentele paddenstoelenkweker waar het er volgens Macfarlane zeker tweeduizend waren.

De collectieve biomassa van het leven in de aarde is vrijwel zeker even omvangrijk, en misschien zelfs groter dan die van het bovengrondse leven. Ook op grote dieptes, meer dan 3 kilometer, bij hoge druk en temperaturen boven 90 graden C! Dit onderaards leven was niet afhankelijk van zonlicht, gebruikt geen zuurstof en geen op koolstof gebaseerd voedsel! Het eet stenen of zet chemische energie en radioactiviteit om in voedsel. Er zijn dan ook serieuze wetenschappelijke theorieën die zeggen dat het leven niet op aarde of in oceanen ontstond maar veeleer diep onder de grond. Volgens het model van Gold (Thomas Gold van de Cornell University) zijn wij een afsplitsing van dat vroegste bacteriële of microbiële leven onder de grond. Het verhaal van de oersoep zou wel eens achterhaald kunnen blijken.

Prachtig is het verhaal over de okermijn Wilgie Mia van de Aboriginals in Australië. Maar dat geldt ook voor het bezoek van de schrijver aan Cappadocië, een reis die hem uiteindelijk weer terug in de States brengt, waar hij een mierenexpert bezoekt. De beste tunnelaars op deze planeet zijn toch echt de mieren, die tezamen ongeveer vijftien procent van de biomassa op aarde uitmaken!

Het gevoel van veiligheid dat we krijgen, aldus Hunt, door ons in te graven, door te voelen hoe de aarde ons omhult, gaat dieper dan onze angst om opgesloten te zitten, dieper dan de angst voor de duisternis of de vrees levend begraven te worden. En hij vervolgt: “Misschien dat deze overeenkomst tussen de tunnels van mieren en van mensen voor ons een aanwijzing is dat we niet meer zijn dan dieren die interactie hebben met de aarde, zoals alle andere dieren.”

En dan volgt een uitstekend hoofdstuk over verdwalen en desoriëntatie, fenomenen die doorgaans tot onmiddellijke paniek leiden. En al even fraai is het hoofdstuk dat ons via de New Yorkse graffiti grootheid REVS bij de ongekend fascinerende Bisons d’Argile in Zuid Frankrijk brengt om daarna weer naar NYC terug te keren voor een korte ontmoeting met REVS, die echter niet bepaald mededeelzaam is.

In het laatste hoofdstuk filosofeert Hunt over de relatie tussen het ondergrondse en spiritualiteit en religie. Hij haalt Karen Armstrong aan die opmerkte dat het verlangen om ons te verbinden met iets wat groter is dan onszelf misschien ‘het definiërende kenmerk van menselijkheid is’. Hunt voegt daar aan toe: “Zelfs wanneer de meest rationele, meest materialistische, meest hartstochtelijke atheïst in de onderaardse donkere zone afdaalt, hoor je zijn of haar stem tot een fluistering terugvallen – ergens in hun onbewuste voelen ze ontzag voor het immense, het mysterie, en erkennen ze die plaats als sacraal.” Tja, ik vermoed dat ik eenzelfde soort ervaring zou hebben als ik Major Tom, of een collega van André Kuipers was.

Het prachtige verhaal over Les Bisons d’Argile vertelt ons hoe het Magdalénienvolk veertienduizend jaar geleden ongelooflijk veel moeite moest doen om heel diep en ver onder de grond te geraken om op een nauwelijks vindbare plaats twee fascinerende sculpturen van bizons te vervaardigen. Dat je bij het aanschouwen daarvan stil wordt, kan ik me heel goed voorstellen maar dat betekent nog niet dat je als doorgewinterd atheïst opeens spiritueel bent geworden.

Net als onze voorouders zullen we altijd worden aangetrokken door het ondergrondse vanwege een stil verlangen naar iets buiten het alledaagse en de ordelijke realiteit, naar iets tastbaars dat groter is dan wijzelf. Aldus Hunt, die daaraan toevoegt: “Ik begon in te zien dat alle aanbidders van het ondergrondse met wie ik in de loop van de jaren verkenningstochten had ondernomen, of die ik als historische figuren bewonderde, in feit op zoek waren naar een of andere vorm van het transcendente”.

Ik kan hier best in meegaan. Er is immers zo ontzaglijk veel om ons heen dat groter is dan onszelf. Wij zijn als individu onbetekenend en toevallig, we doen er nauwelijks toe. Alleen als verzameling individuen hebben we een verwoestende impact. Spiritualiteit en religie helpen mij niet de wereld en onze plek daarop te doorgronden of begrijpen.

Het is jammer dat een register ontbreekt, maar dat neemt niet weg dat Will Hunt een prachtig boek over het ondergrondse heeft geschreven. Een uitstekende aanvulling op Benedenwereld van Robert Macfarlane bovendien.

 

Enno Nuy
Mei 2020