Hart, Maarten ’t – De Schrift betwist & Nico ter Linden – Het verhaal gaat

image_pdfDit artikel downloadenimage_printDit artikel uitprinten

Het was mijn bedoeling een recensie van het boek van Maarten ’t Hart te schrijven: ‘de Schrift betwist’ een lucide, geestig, maar vaker nog verontrustend boek, bevattende een aantal artikelen die ’t Hart in de NRC publiceerde. En zo moet het boek ook gelezen worden: als een verzameling columns. Weinig anderen hadden zo’n boek kunnen schrijven. ’t Hart, geboren en getogen in Maassluis en opgevoed in een buitengewoon Bijbels milieu, inclusief de daarbij behorende ouderlingen en onderwijzeres juffrouw Fijndraat. Als er iemand is die de Bijbel kent, dan wel Maarten ’t Hart. Maar reeds bij het eerste hoofdstuk besloot ik toch de Bijbel zelf erbij te nemen. Geen genoegen nam ik met kennelijke citaten. Ik wilde zeker weten dat Maarten mij niet voor het lapje hield of me alleen maar uit hun verband gerukte citaten voor zou leggen. Enige jaren geleden kocht ik op een rommelmarkt een ongedateerde maar oude statenbijbelvertaling. Tot dit moment was er niet de tijd geweest dit geschrift eens wat nauwkeuriger te bestuderen. Maarten ’t Hart heeft mij ertoe aangezet en dat is een verdienste op zich. Ook beschikte ik reeds geruime tijd over een exemplaar van ‘Het verhaal gaat’ door dominee ter Linden die men toch ook als een Sachverständige mag beschouwen. Met name de passages over Mozes en het brandend braambos deden mij ter Linden erbij nemen om me vervolgens ook door dit boek heen te werken.

En om met de deur in huis te vallen: het werd een ronduit schokkende leeservaring, aanleiding voor veel overpeinzingen, invallen en gedachten; maar wat daarmee te doen? De kans is groot dat maar weinigen bereid zullen zijn deze recensie geheel te lezen, laat staan dat er nog meer uit voort zou kunnen vloeien. Actueel is dit alles wel, actueler dan ooit zou ik zeggen. Laat ik om te beginnen enkele conclusies formuleren die zich naar aanleiding van het gelezene als vanzelf aan mij opdrongen. In de eerste plaats kan men na lezing van het Oude Testament niet anders dan konkluderen dat het een extreem gewelddadig boek is; God blijkt de aanstichter van volkerenmoord te zijn op een niveau zoals dat tot nog toe in de geschiedenis van de mensheid (en die is op zichzelf al buitengewoon wreed en moorddadig) niet eerder is vertoond. Het is merkwaardig dat wij in onze hedendaagse geschiedenis Mein Kampf van Adolf Hitler verbieden terwijl de Bijbel gewoon overal te koop is. Dit lijken boude beweringen maar ik zal ze uitgebreid onderbouwen. Het Nieuwe Testament is nauwelijks minder gewelddadig maar voegt wat dat aspect betreft niet zo verschrikkelijk veel toe aan het Oude Testament. Opzienbarend vond ik het laatste boek van het Nieuwe Testament: ‘De Openbaring van Johannes’ waarvan ter Linden zegt: “Het boek Openbaring is een verzetsgeschrift, dat in slechts voor ingewijden toegankelijke taal troost wil bieden aan de vervolgde gelovigen”. Ik neem het direct van hem aan, ik heb het gelezen , maar ik ben slechts een leek, geen ingewijde. Ik kan slechts konkluderen dat De Openbaring van Johannes geschreven moet zijn onder invloed van hallucinerende middelen: er is geen touw aan vast te knopen en het lijkt volstrekt ondoenlijk dit boek op enigerlei wijze te duiden op een zodanige manier dat iemand er nog iets van troost aan zou kunnen ontlenen. Ook hier kom ik uitgebreid op terug.

Voor wie het niet weet: de Bijbel is een verzameling van zesenzestig boeken, welke is ontstaan in de periode tussen circa 900 voor Christus tot circa 300 na Christus. De Schrift is dus ontstaan in een periode van meer dan duizend jaar! En bestaat uit twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. Het Oude Testament bestaat uit de negenendertig heilige boeken van het joodse geloof en is in het Hebreeuws opgesteld. Het Nieuwe Testament bevat de zevenentwintig heilige boeken van de Christenen en wordt grotendeels in beslag genomen door de evangelies van Mattheus, Markus, Lukas en Johannes, aangevuld met de zogeheten Handelingen der Apostelen en een groot aantal zogeheten Zendbrieven, afsluitend met de reeds gememoreerde Openbaring. Het Nieuwe Testament is opgesteld in het Grieks.

Het Oude Testament is daadwerkelijk het oudste boek en beschrijft onder meer de wereld van God en de uittocht van het uitverkoren volk uit Egypte. Het Nieuwe Testament beschrijft vooral het leven van Jezus door de evangelies die door de Apostelen zijn opgesteld gedurende de periode tussen 60 en 100 na Christus. We merken hier meteen op dat de evangelies dus zeer geruime tijd na het overlijden van Jezus op schrift zijn gesteld. Vooral Maarten ’t Hart maakt hier – mijns inziens volkomen terecht – een zwaar punt van. De woorden van Jezus worden gepresenteerd als de door hem letterlijk uitgesproken teksten, voorzien van tal van details, terwijl de oudste teksten en details op schrift zijn gesteld minstens twintig jaar nadat Jezus aan het kruis zou zijn gestorven! Het is ondoenlijk de Bijbel in zijn volledigheid te bespreken en het is om die reden dat ik me hier beperk tot enkele thema’s die juist heden ten dage zo extreem actueel zijn: het beloofde land, het geweld, de vrouw, de seksualiteit.

 

Het beloofde land

Het Oude Testament verhaalt omstandig van de uittocht der Joden uit Egypte onder leiding van Mozes. In Numeri 1 vers 46 wordt melding gemaakt van zeshonderd en drieduizend vijfhonderd en vijftig Joodse mannen; inclusief vrouwen en kinderen, rekent ’t Hart ons voor, zou het dan gaan om minstens drie miljoen zielen. Dat zou een onwaarschijnlijk gigantische logistieke operatie hebben betekend. Een operatie die op een of andere wijze zijn sporen zou moeten hebben nagelaten in de Egyptische geschiedschrijving. Niets daarvan! Ook de inname van Jericho, beschreven in Jozua, moet op basis van archeologisch onderzoek naar het rijk der fabelen verwezen worden. Er is geen enkel spoor aangetroffen van een inname, laat staan verwoesting van Jericho.

Maar als er geen uittocht was, was er ook geen intocht en dit alles plaatst de heden ten dage zo actuele claim van het Joodse volk op het door Palestijnen bewoonde land, met een beroep op de Bijbel, in een wel heel wrang daglicht.  En nog veel wranger is het dat uitgeprocedeerde asielzoekers Nederland worden uitgezet, ondanks dat ze hier kinderen hebben gekregen, die hier zijn grootgebracht en schoolgegaan en het vaderland van hun ouders niet kennen, noch de cultuur noch de taal beheersen. Maar onze ferme minister stelt vast dat het hebben van kinderen  nu eenmaal geen grond is voor asiel.

Des te merkwaardiger is – in dit licht bezien – de claim van de Joden op het door Palestijnen bewoonde land. Een claim die gebaseerd is op het feit dat hun voorvaderen zichzelf tot het uitverkoren volk uitriepen terwijl zij zelf veelal niet in het huidige Israël zijn geboren maar van over de hele wereld “terugkeren” naar het hen beloofde land. En de ultieme perversiteit is dat deze Joden de inmiddels verdreven Palestijnen niet het recht op terugkeer naar de nog te vormen Palestijnse staat willen toekennen!

 

Het geweld

Laat ik eens citeren uit “De Schrift betwist” van Maarten ’t Hart; uit het hoofdstuk De Psalmen:

Kees Fens heeft ons herhaaldelijk verzekerd dat hij het boek der Psalmen zo prachtig vindt. Hij kan desnoods de hele wereldlitera­tuur missen, als hij die honderdvijftig rijmloze verzen maar hou­den mag. Mij verbaast dat. In de hele bijbel wordt nergens zoveel haat en wraakzucht gepredikt als in het boek der Psalmen. Sla je ze op, dan lees je in Psalm 1 al meteen in het eerste vers over god­delozen, zondaars en spotters. In het vierde vers worden zij kaf genoemd dat ‘de wind henendrijft’, en in het vijfde vers wordt ons verzekerd dat ze ‘niet zullen bestaan in het gericht’, terwijl vers 6 ons meedeelt dat ‘de weg der goddelozen zal vergaan’. In Psalm 2 wordt een zwaarder register opengetrokken. Daar wordt ons eerst meegedeeld dat God tot de heidenen zal spreken in Zijn toorn en dat Hij hen in Zijn gerechtigheid zal verschrikken, en in het ne­gende vers stelt de Psalmdichter voldaan vast: ‘Gij zult hen ver­pletteren met een ijzeren scepter, Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.’ In Psalm 3 deelt de dichter ons mee: ‘Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt gij verbroken.’ In Psalm 4 blijven kaken en kie­zen gelukkig gespaard, maar in Psalm 5 krijgen wij te horen dat in de mond der goddelozen ‘niets recht’ is, dat ‘hun binnenste enkel verderving’ is, en dat ‘hun keel een open graf’ is. Vandaar dat God deze ‘leugensprekers zal verdoen’.

In Psalm 6 wordt gas teruggenomen; daar heet het dat alle vij­anden van de Psalmdichter ‘zeer beschaamd en verbaasd zullen worden’, maar in Psalm 7 wordt degenen die zich niet bekeren aangezegd dat God Zijn zwaard zal wetten en Zijn boog zal span­nen. En alsof dat nog niet genoeg is, wordt ook beloofd dat God ‘dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt heeft’ en dat Hij ‘Zijne pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen zal’. Ver­derop vernemen we nog dat het geweld op zijn eigen schedel zal nederdalen.

In Psalm 8 zowaar geen vijanden of goddelozen. Daar prijst de dichter God omdat hij de mens ‘een weinig minder gemaakt heeft dan de engelen’. Mij dunkt, een verschrikkelijke misvatting, gelet op datgene wat mensen elkaar kunnen aandoen. Of hadden ook de engelen de holocaust kunnen uitvoeren? In vers 7, 8 en 9 zegt de dichter: ‘Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, Gij hebt alles onder zijn voeten gezet. Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds, het gevogelte des hemels, en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.’ Teksten kort­om, die de mannenbroeders eeuwenlang een vrijbrief hebben ge­geven en nog steeds geven om het milieu te verontreinigen en op de meest barbaarse wijze met dieren om te springen.

In Psalm 9 wordt de draad van Psalm 7 weer opgepakt. Daar krijgen wij te horen dat God ‘de heidenen gescholden heeft, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.’ Wat de dichter in Psalm 7 reeds met leedvermaak vaststel­de, namelijk dat de onbekeerde zelf ‘gevallen is in de groeve die hij gemaakt heeft, wordt herhaald in Psalm 9: ‘De heidenen zijn gezonken in de groeve die zij gemaakt hadden.’ (–)

Psalm na Psalm gaat het overigens door. In Psalm 11 krijgen we te horen: ‘Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.’ In Psalm 12 wordt de hoop uitgesproken dat God ‘alle vleiende lippen, de grootsprekende tong’ zal afsnijden. In Psalm 13 hoopt de Psalmdichter dat de vijand niet zal zeggen: ‘Ik heb hem over­mocht.’ De ik uit de Psalm zou niet graag zien dat zijn ‘tegenpar­tijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen’. In Psalm 14 krijgen we te horen: ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het; zij maken het gruwelijk met hun werk; er is nie­mand die goed doet.’ Even verderop: ‘Zij zijn allen afgeweken; te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand die goed doet, ook niet een.’ In Psalm 15 wordt zowaar een beeld geschetst van de rechtvaardige. Dat is iemand ‘die zijn geld niet geeft op woe­ker’. Ook elders in de bijbel wordt nadrukkelijk gesteld dat je geen rente mag vorderen op uitgezet geld (bijvoorbeeld Exodus 22 vers 25, Leviticus 25 vers 36 en 37, Spreuken 28 vers 8, Ezechiël 18 vers 8, 13 en 17)’ De enige uitzondering betreft een buitenlander: ‘Van den buitenlander moogt gij rente nemen, maar van uw broe­der zult gij geen rente nemen.’ (Deuteronomium 23 vers 20) Hoe merkwaardig dat zo’n duidelijk gebod door joden en christenen in de loop der eeuwen zo onvervaard veronachtzaamd is.

(-). Ach ja, die Psalmen, die lievelingsteksten van Fens. Boosaardi­ge, twist en tweedracht propagerende dichtstukken in het hart van een duister, gruwelijk boek.(-).

Wat zou ik hier nog aan toe moeten voegen? ’t Hart komt op een ontstellend groot aantal geslagenen, vernielden, vermoorden, nagelezenen in de Bijbel: “In totaal komen we, met tienduizend afgeslachte kinderen van Moab uit Richteren 3 vers 29, en 75.000 doden uit Esther 9 vers 16, aan ruim 600.000 doden – zeshonderdduizend mensen, om het typisch Bijbels te zeggen, werden ‘nagelezen’. En dan moet Bodar beweren dat het lezen van de Bijbel een ‘afnemend besef van normen en waarden’ kan keren, terwijl er zeshonderdduizend mensen zonder enig gewetensbezwaar door God zelf of zijn dienstknechten opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen, verbrijzeld, met de scherpte des zwaards afgeslacht, dan wel door speren of tentpinnen doorboord worden. En dan zwijgen we nog over al die gevallen waarin geen aantallen genoemd worden, bijvoorbeeld de eerstgeborenen in Egypte”.

Ik heb deze beweringen van ’t Hart eens nageplozen en nam een willekeurig hoofdstuk uit het Oude Testament: Richteren 20. In 48 verzen worden 90.160 mensen plus nog tal van ongetelden afgeslacht op aandringen van De Heer. Vervolgens sla ik de bijbel open op een volstrekt willekeurige pagina, Jeremia 18 en 19; lees voor de aardigheid eens hoe de Heer ook hier weer met de ongelovigen om gaat! Ik durf wel te beweren dat de Bijbel een onwaarschijnlijk gewelddadig boek is vergeleken waarbij de Koran een stuiverromannetje blijkt te zijn. God, die regelrecht aanzet tot volkerenmoord!

 

De vrouw

Voor vrouwen is de Bijbel al helemaal geen lezenswaardig boek, je zou er een minderwaardigheidscomplex aan over houden. Het begint meteen al in Genesis 3 waarin de zondeval wordt beschreven en waarin God tot Eva spreekt nadat zij zich door de slang heeft late beet nemen: “Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben”. Pas twee milennia later slaagt de vrouw er hier en daar in zich aan dit wrede lot te ontworstelen. In Leviticus 15 vers 19 lezen wij: “Maar als eene vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vleesch, zoo zal zij zeven dagen in hare afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan den avond”. In de volgende verzen wordt verhaald hoe alles wat en iedereen die de vrouw tijdens haar ongesteldheid aanraakt, onrein wordt. In Leviticus 20 vers 18 gaat de Bijbel nog veel verder: “En als een man bij eene vrouw, die hare krankheid heeft, zal gelegen en hare schaamte ontdekt, hare fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zoo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden”. In Leviticus 12 wordt geschetst dat een vrouw die een jongetje gebaard heeft zeven dagen lang na de geboorte onrein is; heeft zij echter een meisje gebaard, dan is zij zelfs twee weken onrein! Afin, de vrouw is geschapen uit de rib van een man, zij is een manninne en de man is het hoofd van de vrouw. Zo staat het geschreven.

 

De seksualiteit

Wij discussiëren in ons land inmiddels al weer geruime tijd over normen en waarden. De Bijbel is vooral een normatief boek. De belangrijkste norm is: gij zult geloven. De ongelovige immers wordt door God genadeloos gestraft. Daar denken ze in Noord Ierland heden ten dage nog steeds zo over. Dominee Paisley is de verpersoonlijking van satan, die een katholiek als een afvallige beschouwt, als zijn eeuwige vijand ziet. En dan hebben we het nog maar over Christenen onder elkaar. Maar het geweld laten we voor een enkel moment achter ons.

In ‘Het verhaal gaat” stuitte ik op een buitengewoon merkwaardige geschiedenis: die van Tamar. Laat eens goed tot u doordringen wat ter Linden hier schrijft: “(-) Hoe dan ook, de man is dood, en kinderloos blijft Tamar achter. Een bitter lot, altijd al, maar zeker in die dagen, want kinderen, zonen met name, vormden je oudedagsvoorziening. En in Israël is het lot van de kinderloze vrouw tot overmaat van ramp nog ééns zo bitter: ooit zal de Messias het levenslicht aanschouwen, maar dus nimmer als vrucht van jouw schoot. Jij zult er niet zijn, in je nageslacht, als de Messias wordt geboren. Het is alsof God zegt: jou heb ik niet nodig voor de voortgang van het heil”. Dit is, aldus ter Linden, de ratio achter het zwagerhuwelijk in Israël: blijft een vrouw kinderloos (door vroegtijdig overlijden van haar man), dan is het de taak van de zwager om bij de weduwe, op naam van zijn overleden broer, nageslacht te verwekken, opdat diens naam uit Israël niet worde weggewist. Tussen haakjes zij hier wel opgemerkt dat in Leviticus 18 vers 16 staat geschreven: “Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeder niet ontdekken; het is de schaamte uws broeders”. In Deuteronomium 5 vers 5 staat echter geschreven.dat de vrouw van een gestorven man “aan geenen vreemden man daarbuiten geworden; haars mans broeder zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar den plicht van een mans broeder”. Er wordt niet beschreven wat te doen wanneer de man geen broeder heeft. Wel wordt in verzen 11 en 12 beschreven dat wanneer een vrouw zich mengt in een broederlijke twist en de broer van haar echtgenoot bij de ballen grijpt, haar hand moet worden afgehakt! Maar dit terzijde.

Nu heette de zwager van Tamar Onan, jawel, de naamgever van de zelfbevlekking, van zijn naam is het woord onanie afgeleid. In Genesis 38: staat geschreven: “Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zoo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijnen broeder geen zaad te geven”. In vers 7 wordt vrijwel terloops medegedeeld dat de echtgenoot van Tamar, de broer van Onan, “kwaad was in des Heeren ogen; daarom doodde hem de Heere”. Meer niet, God mocht hem niet en doodde hem en hier hoeft niet te worden uitgelegd waarom de Heer hem niet mocht. Het enkele feit dat Hij hem niet mocht was voldoende voor een doodvonnis, zonder vorm van proces. Maar omdat Onan niet aan deze poppenkast wilde meewerken, werd ook hij door de Heer gedood! Maar nu komt het: ter Linden legt uit dat Onans zonde geen onanie, geen zelfbevrediging was. De technische term voor wat hij deed is coïtus interruptus, ofwel voor het zingen de kerk uit!!! En dat was ook al voldoende voor een doodvonnis, zonder vorm van proces. Maar onze kerkvaders hebben hierover gezwegen en hebben de simplistische redenatie toegepast dat ook zelfbevrediging een vorm van zaadverspilling was en zo hebben zij in het lot van Onan het perfecte wapen tegen het zondige `aftrekken` gevonden. Zo werden de Bijbelse vloek en tal van lichamelijke kwalen de jongeling in het vooruitzicht gesteld die ‘de hand aan zichzelf wilde slaan’. Nog herinner ik mij de zwaaiende vinger van de priester die mij en mijn medescholieren op de middelbare school – rijkelijk vergezeld van rondvliegend priesterlijk speeksel – hel en verdoemenis verzekerde, wanneer wij in onze zondigheid onszelf zouden aanraken! Dit is slechts een enkel voorbeeld over de seksuele moraal die in de Bijbel gepredikt wordt danwel door de plaatsvervangers van God op aarde simpelweg verzonnen is.

In Leviticus 18 vers 6 staat helder geschreven: “Niemand zal tot eenige nabestaande zijns vleesches naderen, om de schaamte ontdekken; Ik ben de Heere”. Een duidelijker verbod op incest is niet denkbaar. Kom er eens om op de Veluwe! Maar hoewel de Bijbel tal van huwelijkswetten kent en tal van relaties op straffe van de dood afwijst, hoererij verbiedt en triosex en sex met beesten (en passant worden de heidenen er zonder bewijslast van beschuldigd dat ze zich hieraan bezondigen) voor verwerpelijk houdt, met geen woord rept de Bijbel over misbruik van kinderen. Dat hebben al die priesters (die volgens de Bijbel overigens gewoon mochten trouwen) die zich in de achterliggende eeuwen aan kinderen vergrepen, goed begrepen. Hoe merkwaardig dat de Bijbel alle denkbare meer of minder perverse seksuele handelingen van de mens blijkt te kennen maar de pedofilie kennelijk niet als een misdaad beschouwt. Wij herinneren er aan dat het in het oude Griekenland redelijk normaal was wanneer een man zekere betrekkingen onderhield met jonge jongens.

 

De Openbaring

“De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijnen dienstknechten te toonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijnen engel gezonden, en Zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft”. Aldus begint de Openbaring, door Johannes opgeschreven, enkele decennia na het overlijden van Jezus. Jezus verschijnt aan Johannes op Patmos en draagt hem op: ”Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, e naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea”. Aan Efeze schrijft Johannes (namens Jezus dus) onder meer: “Maar Ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde verlaten hebt. Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. Maar dit hebt gij, dat ge de werken der Nikolaïeten haat, welke Ik ook haat”. En aan Pergamus: “Bekeer u; en zoo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds”. En aan Thyatire: “En die overwint, en die Mijne werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen; En hij zal ze hoeden met eenen ijzere staaf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van mijnen Vader ontvangen heb”. In hoofdstuk 7 vers 1 zegt Jezus, aldus Johannes: “En na dezen dag zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier hoeken der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen eenigen boom”. Ik zou zeggen, hier valt Jezus door de mand. De aarde heeft immers geen hoeken, de aarde is rond en ook al wisten de mensen op aarde dat toen nog niet, God, de schepper, moet dat wel geweten hebben en het is uiterst onwaarschijnlijk dat zijn zoon hiervan niet op de hoogte zou zijn geweest.

Maar dan volgt de ene na de andere volstrekt onbegrijpelijke en meest waanzinnig fantastische gebeurtenis: zegels worden verbroken, sprinkhanen, gelijkend op paarden met gouden kronen op hun hoofd – en zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen – en zij hadden staarten den schorpioenen gelijk – en de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar opdat zij het derde deel der menschen zouden doden – en ik uit de zee een beest zag opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijnen hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van godslastering – en ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Zion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den naam Zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden en zo voorts en zo voorts.

En dan volgen nog zeven engelen met de zeven laatste plagen, de vrouw op het scharlaken rood dier, de val van Babylon en de bruiloft des Lams, de overwinning op Satan, de Opstanding en het Laatste Oordeel en dan sluit de Openbaring af met hoofdstuk 22 waarvan vers 19 zegt: “En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is”.

Ga er maar aan staan. Wie hier hoop uit weet te putten, levert een ongekende intellectuele prestatie. “In slechts voor ingewijden begrijpelijke taal”, zegt ter Linden. Welnu, ik zou zíjn interpretatie wel eens willen lezen. Maar je vraagt je in gemoede af waarom God toe zou staan dat dit soort onbegrijpelijke kletsika, woorden die zo gemakkelijk verkeerd en nog veel gemakkelijker helemaal niet begrepen worden, wordt opgetekend. Ik zou zeggen, wie echt een Boodschap te melden heeft, zorgt ervoor dat die goed en helder gecommuniceerd wordt. Daarvan evenwel, heeft de Heer geen kaas gegeten. En vervolgens zien we hele volksstammen aan idioten die de wijsheid in pacht claimen te hebben, daarmee generatie op generatie geselend, daarmee ….ach vult u dat zelf maar in.

Tot slot nog enkele opmerkingen over beide boeken die óver de Schrift gaan. Van de verzameling artikelen van Maarten ’t Hart heb ik genoten, ofschoon ze niet alle even helder en even sterk beargumenteerd werden opgetekend. In sommige artikelen stelt ’t Hart zich wel erg moraliserend op en soms komt hij met wat flauwe tegenwerpingen. Maar overheersend is de gedachte dat hier een kenner van de Bijbel aan het woord is die vanuit een humanistische levensovertuiging [zij het dat ’t Hart terecht aanvoert dat niet alleen Blaise Pascal maar zeker ook Erasmus een doorgewinterd antisemiet was! Evenals, moet ik hier tot mijn spijt aan toevoegen, zulke grote literatoren als Jan Jacob Slauerhoff en Louis Ferdinand Celine.] en de rationaliteit van de moderne mens een uiterst kritische houding tegenover dit geschrift aan is gaan nemen. Men zou tegen kunnen werpen dat ’t Hart uitsluitend rationeel te werk is gegaan en voortdurend op feitelijke onjuistheden of natuurkundige of anderszins in wetenschappelijke zin onmogelijkheden van beschreven fenomenen wijst; dat hij geheel voorbij gaat aan de mystieke inhoud van de Bijbel. Toch is dat slechts schijn. Ook al heeft de wereld van Jezus en God voor ’t Hart afgedaan, hij is zich maar al te zeer bewust in welke geest hij is opgegroeid en opgevoed. Noch steeds kan de Groote Kerk te Maassluis en met name het orgel hem ontroeren; ’t Hart is daarnaast tevens een van de grootste Bach-kenners van onze tijd; hij mag wellicht geen homo religiosus meer zijn, mystiek raakt hem daarentegen wel degelijk. Maar de grote verdienste van ’t Hart is toch zijn uiterst kritische benadering van de Schrift en hij overtuigt de lezer ervan dat vrijwel al het geschrevene met de grootst mogelijke scepsis genuttigd dient te worden en het merendeel van de Bijbelse verhalen moet na lezing van ’t Hart definitief naar het rijk der fabelen verwezen worden. De ultieme ontmythologisering.

Het boek van ter Linden is een ronduit sympathiek boek. Ter Linden gaat in tegenstelling tot ’t Hart volledig voorbij aan de letterlijke tekst van de Schrift en gaat meteen op zoek naar de achterliggende boodschap. Waar ’t Hart wijst op de onmenselijke wreedheid van God ten aanzien van Mozes (God zoekt Mozes te doden en Mozes mag het Joodse volk door alle gevaren heen leiden naar het Beloofde Land, zelf mag hij er niet in; sterker nog, hij mag het Beloofde Land slechts vanaf een berg op zeer grote afstand overzien om daarna te moeten sterven); ter Linden geeft daar een heel sympathieke en geloofwaardige verklaring voor: Mozes had zijn werk gedaan en het is niet aan de mens te bepalen wanneer zijn einde komt, zijn geluk lag niet beschoren in het betreden van het Beloofde Land, zijn taak was het, het uitverkoren volk daarheen te leiden, niet minder, niet meer. ‘Het verhaal gaat’ is een opmerkelijk boek en lijkt mij voor wie de keuze maakt te geloven in God, een oneindig veel beter geschrift dan die volstrekt waanzinnige Bijbel.

Over de Bijbel raken we voorlopig niet uitgepraat. Het is een buitengewoon bizarre verzameling van onleesbare, onduidbare, mystieke onzin en gevaarlijke praat. Met instemming citeer ik hier de door ’t Hart te berde gebrachte dichter Philip Larkin die, na de Bijbel geheel gelezen te hebben, tot de slotsom kwam: “It is absolutely bloody amazing to think that anyone ever believed any of that. Really, it’s absolute balls. Beautiful, of course. But balls”. Juist voor al diegenen die alleen begrijpen wat er staat, die zich uitsluitend de letterlijke tekst eigen kunnen maken en voor waar aannemen wat zij lezen, is de Bijbel een extreem explosief en even zo gevaarlijk boek. De fundamentalisten vinden wij niet enkel onder de Moslims of de Joden, zij zijn ook onder óns, ingezetenen uit Europa van wie sommigen vinden dat wij in onze Europese Grondwet moeten opnemen dat wij grootgebracht zijn in het Joods-christelijk gedachtengoed! De Knevels van deze tijd willen ons in alle ernst nog steeds doen geloven dat er geen afdoend wetenschappelijk bewijs voor de evolutietheorie is geleverd en dat dús de Bijbel de enige waarheid, excusez: Waarheid vertegenwoordigt. Kortom, wie Mein Kampf verbiedt, verbiede ook de Bijbel! Geen boek wordt zo gemakkelijk misverstaan.

Toe maar zult u zeggen, de Bijbel plots vergeleken met Mein Kampf, dat is nog eens krasse taal, praatjes voor de Bühne, goedkope en vooral misplaatste stemmingmakerij. Is dat zo? Paus Wojtila sprak een mea culpa uit maar verzweeg de door paus Innocentius VIII geschreven Summis desiderantis affectibus welk geschrift de start van een ongekende heksenvervolging inluidde, aldus ’t Hart: “wie een hekel had aan een vrouw, gaf haar aan als heks; dat was voldoende voor een proces waarbij met een foltering een bekentenis werd verkregen (-). In Würzburg werden tijdens het bewind van aartsbisschop Echter von Mespelbrunn (1545 – 1617) in één jaar tijds driehonderd heksen verbrand”. Ook zweeg paus Wojtila over het bewezen feit dat paus Pius XII “heeft gezwegen over de jodenvervolging voor en in de Tweede Wereldoorlog. Geen woord over het feit dat priesters, kloosterlingen, bisschoppen in 1945 nazi-misdadigers, onder wie Mengele en Eichmann, hebben helpen ontsnappen naar Zuid Amerika”.

In een hoofdstuk getiteld  Rooms-Katholiek memoreert ’t Hart nog eens hoeveel nazi’s overtuigd katholiek waren en herinnert aan het gesprek dat Hitler op 26 april 1933 voerde met bisschop Berning en monseigneur Steinmann waarin Hitler verklaarde dat hij effectief af zou ronden wat de rooms-katholieke kerk al vijftienhonderd jaar lang had nagestreefd: de volledige verwijdering van de Joden. Terecht sluit ’t Hart dit hoofdstuk af met de verzuchting: “van Rome naar Auschwitz is maar een kleine stap”. Tot slot, zal de kritische lezer stellen, prachtig hoor, deze filippica tegen de Bijbel maar hoe zit het dan met de Koran. Geduld, beste lezer, ik heb inmiddels een Nederlandse vertaling van de Koran in mijn bezit en ga mij daar de komende tijd in storten. U hoort van mij.

 

Enno Nuy 2003

2018-10-24T09:33:57+00:00