Meulenhof, 477 pagina’s

Een enkel voorbeeld van het prachtige proza van Grass is bijvoorbeeld te vinden aan het begin van het hoofdstuk Ingekapselde zaken: “Het ene woord roept het andere. Schulden en schuld. Twee woorden, zo dicht bij elkaar, zo vast in de voedingsbodem van de Duitse taal geworteld. Het eerstgenoemde kun je met afbetaling – desnoods in termijnen, zoals de pofklanten van mijn moeder dat deden – verlichtend onder de knie krijgen, maar de aantoonbare en de verborgen of slechts te vermoeden schuld blijft. Ze tikt maar door en ze is er zelfs op reizen naar nergens al om haar plek vrij te houden. Ze doet haar zegje, is niet bang voor herhalingen, laat zich genadig tijdelijk vergeten en overwintert in dromen”.

Net als ikzelf kende ook Grass Vicky Baum uit de vooroorlogse tijd. In mijn ouderlijk huis stond Vicky nog jarenlang na de oorlog in de spaarzaam gevulde boekenkast. En opeens verschijnt een opmerkelijke zin op pagina 55 van deze roman: “En toen ik eind jaren tachtig met het opschrijven van de reisvertelling Kopgeboorte of de Duitsers sterven vooruitliep op de abstinentie van kinderloze zelfverwezenlijkers en hun tot op de dag van vandaag gecelebreerde egocultus, en daarmee op de vergrijzing van de bondsrepublikeinse bevolking en als gevolg daarvan de permanente crisis van het pensioenstelsel en de leegheid van langdurige tweezaamheid, hielp haar exotische verhaal Liefde en dood op Bali bij het beschrijven van dramatische achtergrondtaferelen”.

Grass is een groot liefhebber van het woord ‘kopgeboorte’ maar het wil mij maar niet duidelijk worden wat hij daarmee bedoelt. Maar niet om die reden is het een merkwaardige zin als wel het gegeven dat Grass zich kennelijk stoort aan de moderne mens die zich niet meer om het geboortecijfer bekommert. Kinderloze zelfverwezenlijkers noemt hij hen. Er gaat veel boosaardigheid schuil achter deze woorden. Gezegd moet worden dat hij overigens vanuit demografisch oogpunt bezien wel degelijk gelijk heeft. We weten nu in ieder geval waar Grass staat in deze discussie. Maar voor de Duitse lezer gaat het slechts om dat ene zinnetje op pagina 125: “Mijn volgende marsorder maakte duidelijk waar de rekruut met mijn naam op een oefenterrein van de Waffen-ss tot tankschutter zou worden opgeleid: ergens ver weg in de Boheemse bossen…”. Grass schrijft hier meteen de volgende zin achter aan: “De vraag moet gesteld worden: schrok ik van wat toen in het rekrutenkantoor onmiskenbaar was, zoals ik nu nog, na meer dan zestig jaar, de dubbele s verschrikkelijk vind op het moment dat ik hem nu opschrijf?”. Om vervolgens te verklaren dat hij zich daarvan niets herinneren kan, niets terugvinden kan. En onder normale omstandigheden zou er ook niets aan de hand geweest zijn. De Waffen-ss was weliswaar een afschrikwekkend elitekorps maar dat jonge soldaten, zeker tegen het einde van een niet te winnen oorlog ook relatief eenvoudig in deze gelederen werden ingezet, is zo vreemd niet.

Neen, de opwinding die in Duitsland is ontstaan naar aanleiding van deze roman is vooral gelegen in het feit dat Grass zijn hele oeuvre gebouwd heeft op een fundament dat zijn oorsprong vindt in het nationaalsocialisme en de impact daarvan op de Duitser en de Duitse samenleving. De schrijver die in de loop der jaren is gaan gelden als het geweten van de Duitse samenleving, de schrijver die niet ophield zijn landgenoten te wijzen op de noodzaak en de plicht, al was het maar jegens henzelf, zich bewust te zijn en te blijven van de oorzaken en uitwerking van het nationaalsocialisme, uitgerekend dié schrijver heeft er decennia over gedaan om de volledige waarheid omtrent hemzelf te openbaren. De schrijver die zich zoveel kon herinneren dat hij er een compleet oeuvre op kon bouwen, moffelt zijn Waffen-ss verleden weg in een terloops zinnetje, meer dan zestig jaar later en verklaart dan ook nog eens dat hij zich daar maar weinig van kan herinneren.

Het is opmerkelijk dat dit boek eerst nu verschijnt. Had het niet veel meer voor de hand gelegen wanneer dit egodocument veel eerder was verschenen. De herinneringen lagen nog vers weliswaar maar het is een feit dat men soms een volledig leven nodig heeft om de ervaringen uit dat leven de juiste plaats en het juiste gewicht toe te kennen. Hoe het ook zij, Grass publiceerde deze roman nu eenmaal eerst in 2006. Maar dat hij het nodig vond zelf het lidmaatschap van de Waffen-ss te openbaren in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung, voorafgaand aan de publicatie van zijn autobiografie, blijft op zijn zachtst gezegd merkwaardig. Hem werd, begrijpelijkerwijs, verweten een publiciteitsstunt te hebben willen ontketenen om de verkoop van zijn boek enigszins te stimuleren. Het mag allemaal zo zijn, voor niet Duitsers is dit alles niet zo verschrikkelijk relevant. Keren we dus terug naar deze autobiografie waarin Grass tal van ervaringen en personen beschrijft die later aanleiding tot afzonderlijke romans zouden vormen. En het is een prachtig boek geworden, wat mij betreft vooral waar Grass beschrijft hoe de Duitsers het leven proberen te hervatten nadat de oorlog zo smadelijk verloren werd. Dat de krijgsgevangen Duitsers in hun kampementen allerlei cursussen voor elkaar organiseerden om tenminste enigszins voorbereid en met enkele minimale vaardigheden terug te keren in een samenleving die zowel fysiek als psychologisch weer van de grond af opgebouwd zou moeten worden, was voor mij nieuw en een complete verrassing.
Maar voor het zover is heeft Grass ons kennis laten maken met het gezin waarin hij geboren werd, met zijn jeugd en zijn eerste schreden als kunstenaar, beeldhouwer om precies te zijn. Verrassend om op pagina 275 ineens de naam Ewald Mataré tegen te komen, de beeldhouwer en schilder van wie ik nog maar enkele jaren geleden een tentoonstelling in het fraaie museum in Kleef zag, Ewald Mataré, de beeldhouwprofessor met het pagekapsel, aldus Grass.

Nog een onduidelijkheid trof mij op pagina 150 waar Grass melding maakt van de zoektocht naar de weggelopen herdershond Prinz, het lievelingsdier van Hitler. Van Joachim Fest (der Untergang) weten we dat Prinz niet is weggelopen maar door de Führer zelf vergiftigd en daarna verbrand werd. Maar wellicht dat Prinz bij een eerdere gelegenheid wel tijdelijk de poten nam, ’t is mij niet ter ore gekomen.
Laten we het er maar op houden dat Grass bij een enkele gelegenheid niet handig heeft gehandeld. En ook moet me van het hart dat hij af en toe, ook al is het slechts heel subtiel, wat hautain en al te overtuigd van zichzelf uit de hoek kan komen. Maar schrijven kan hij en ook zijn volgende boeken zal ik weer even gretig ter hand nemen.
Tot slot een enkele opmerking over de vertaling. Die is hier en daar wat slordig. Er staan soms storende fouten tegen het Nederlands in deze roman. Zo is er op pagina 63 sprake van “…een orderidder met een lange schedel onthooft ronde schedels per dozijn”! En op pagina 290 komen we de lelijke zin tegen: “Mijn slaapplek vond ik, zoals al als luchtmachthelper en arbeidsdienstman, vervolgens als tankschutter, krijgsgevangene en ten slotte koppelaar, als bovenste gebruiker van een stapelbed”. Of op pagina 396: “Tot ik in een bijkamertje van zijn atelier op een van de twee britsen ging liggen viel ik al snel in slaap…”.

Enno Nuy Juni 2007