Cossee, 416 pagina´s

 

Eindelijk is er dan een Nederlandstalige biografie van Hans Fallada, de schrijver van o.a. Alleen in Berlijn, Wat nu kleine man? , In mijn vreemde land en De drinker. De biografie is opgesteld door Anne Folkertsma, de vaste vertaalster van al het recent verschenen werk van Fallada. Van Fallada wordt nogal eens beweerd dat hij een zwak karakter had en voor zover hij er niet in slaagde zijn verslaving aan alcohol en morfine te overwinnen is dat misschien een terechte kwalificatie. Maar wanneer men tot de konklusie van karakterzwakte zou komen omdat Fallada bewust niét koos voor de exil-status dan vind ik dat onterecht. En in zijn gevangenisdagboek uit 1944 geeft hij uitvoerig weer waarom hij Duitsland niet kan of wil verlaten. “Wat voor Duitser zou ik zijn als ik er ten tijde van nood en vernedering tussen uit was geknepen en een makkelijk leven had verkozen?”.

Natuurlijk, Fallada – pseudoniem van Rudolf Ditzen – heeft concessies moeten doen en heeft opdrachten van de machthebbers aanvaard. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is Der Eiserne Gustav waar hij een de nazi’s welgevallig slot breidde. Zelf schreef Fallada over dit treurige voorval: “De maand waarin ik dit n.staartje aan het verhaal schreef, heb ik in mijn agenda met zwarte inkt omcirkeld, ik walgde van de wereld, en nog meer van mijzelf”. En evenmin kan ik ontkennen dat Fallada erin slaagde zich vrijwel volledig af te sluiten voor het oorlogsgeweld en wapengekletter. In 1937 schrijft hij: “Zoals ik voor de duivelse alcohol naar het platteland ben gevlucht en me daar eigenlijk heel goed bij voel, wil ik me nu ook als een slak afsluiten voor alles wat er in de wereld gebeurt – en eigenlijk geloof ik dat dat mijn werk geen kwaad zal doen”. En op 4 mei 1942 schrijft hij uitgebreid over het afronden van een nieuw boek maar maakt nergens gewag van de staat waarin zijn geliefde Duitsland verkeert. En dat is natuurlijk vreemd. Hoe kun je, ook als toegewijd en bijna maniakaal schrijver heen om wat de hele wereld in brand stak? Fallada kon dat, deed dat. Zijn hele leven was gewijd aan het schrijven van boeken. Alleen in Berlijn schreef hij in vierentwintig dagen! En zo schreef hij al zijn boeken. Maar na ieder afgerond boek moest zijn echtgenote hem wel naar een kliniek brengen om weer op adem te komen of af te kicken van zijn verslavingen. In diezelfde tekst schrijft Fallada zelfs: “We bevinden ons in vredestijd!” Maar hier moet de schrijfster iets over het hoofd hebben gezien of ontbreekt in ieder geval een juiste tijdsaanduiding of datum. De Duitsers waren nu eenmaal toch echt met alles en iedereen in oorlog.

Hoe Fallada zelf dacht, drukte hij uit in zijn schatplichtigheid aan andere schrijvers: “Ze hebben met hun werk mijn gave vorm en mijn geest voedsel gegeven, door hen maak ik voor mijn gevoel deel uit van dit grote verbond dat ongeacht nationaliteit of ras de hele wereld omvat en dat ons Duitsers, ondanks ons huidige isolement, niet buitrensluit zolang we nog een boek kunnen lezen van de gemeenschap van de grote vrije geesten.”’ Nee, Fallada had niets op met de nazi’s, hij ging ervan uit dat ze op een dag zouden verdwijnen, ingehaald door de geschiedenis. En kennelijk was hij zo gepreoccupeerd door zijn werk en zijn verslavingen dat hem ten aanzien van de politieke werkelijkheid een grote mate van naiveteit niet kon worden ontzegd. Een tijd lang woonde het echtpaar vlakbij Ravensbrück maar Fallada verklaarde dat hem daarbij niets was opgevallen. Zijn echtgenote verklaarde jaren na de oorlog echter dat zij wel degelijk wist(en) wat er in dat verschrikkelijke kamp allemaal voorviel. Onder zijn collega-schrijvers, ook onder hen die al dan niet gedwongen hun vaderland verlieten, gold Fallada als een groot en bewonderd schrijver. Niet de eerste de besten onder hen, zoals Thomas Mann, Hesse, Tucholsky en Musil.

Toen in 1933 de grote boekverbrandingen plaatsvonden, behoorde het werk van Fallada niet tot de entartete Literatur. Later zullen de nazi’s echter ook zijn werk afwijzen omdat de door Fallada beschreven kleine luiden nu niet bepaald aan het ideaalbeeld van de moderne gezonde Duitser voldoen. Fallada zal geregeld tegemoet komen aan de eisen van de machthebbers maar heeft daar gen goed geweten bij. Op de kritiek van anderen antwoordt Fallada: “Dat zal wel komen doordat ik zelf niet aan de zin van het leven geloof […] waarom moet ik iets anders doen dan het bestaande beschrijven? Ben ik een verbeteraar? Een opvoeder? Nee, ik ben alleen een beschrijver”. Fallada raakt pas echt in een moeras verzeild als hij het plan opvat om een grote roman over een beursspeculant te schrijven, “natuurlijk zonder opdringerige antisemitische component, zoiets als een moderne Jud Süss”’ Uiteindelijk levert Fallada dit manuscript wel in bij een nazi-uitgeverij maar het boek zal nooit gepubliceerd worden, naar verluidt omdat het manuscript bij een bombardement door de geallieerden vernietigd wordt. Fallada is zich er terdege van bewust dat veel van zijn werk niet voldoet aan zijn eigen kwaliteitsnormen, juist omdat hij boeken moest schrijven die niet in ongenade zouden vallen bij de nazi’s. “Want ze zijn bang voor het individu, voor individualiteit, ze willen een vormeloze massa met hun slogans kunnen bombarderen. – Ze maken ieder mens kapot – en de marionetten die zo overblijven staan hun niets in de weg”.

Natuurlijk moest Fallada in zijn brieven en ansichtkaarten voorzichtig zijn en natuurlijk moest hij soms uitspraken doen waarvan hij wist dat de censuur die graag zag. Maar hij luisterde ook naar tweeënvijftig vijandige zenders om op de hoogte te blijven van wat er werkelijk tijdens de oorlog gebeurde. Fallada verbloemde niets. In een van zijn laatste romans In mijn vreemde land beschrijft hij hoe de Russen hem tot burgemeester benoemden in een klein stadje. En ofschoon Fallada wist dat zijn ex-echtgenote meermaals door Russische soldaten was verkracht, durfde hij zijn stadsgenoten toch voor te houden dat “de Russen komen als jullie vrienden”. Hij heeft nimmer enige poging ondernomen om zichzelf heldhaftiger voor te doen dat de werkelijkheid toeliet. En hij blijft een groot schrijver van prachtige boeken. Het is goed dat er nu een heldere biografie is verschenen van zijn vertaalster die geen enkele poging heeft ondernomen om Fallada te verdedigen of om zijn gedrag te interpreteren, laat staan goed te praten. Folkertsma kiest voor de aanpak die ook Fallada verkoos: zij beschrijft en registreert. Vind ervan wat u ervan vindt, dit is het. Kleinigheidje: waarom niet Leipziger gymnasium in plaats van Leipzigse gymansium? Omdat Leipziger gymnansium een germanisme zou zijn?

 

Enno Nuy, februari 2016