Uitgeverij Cossee Amsterdam, 456 pagina’s

 

Fallada werd geboren als Rudolf Ditzen in Greifswald in 1893. Hij stierf in 1947 in Berlijn, vermoedelijk aan een overdosis morfine. Een buitengewoon intrigerende figuur, deze Ditzen, zoals duidelijk wordt uit de korte biografische schets van Geoff Wilkes welke ook in deze roman is opgenomen. Ditzen was verzetsheld noch collaborateur, leidde een gecompliceerd bestaan, werd enkele malen in een psychiatrische kliniek opgenomen en schreef daar ook over. Dat op zich was al een daad van moed, de nazi’s hadden immers weinig op met psychiatrische patiënten. Voor hen lagen de euthanasieplannen reeds klaar en die werden ook zonder enige scrupules uitgevoerd.

Ditzen, of Fallada – zo luidde immers zijn nom de plume – had uiteindelijk niets op met Hitler en zijn trawanten. Toch accepteerde hij de opdracht voor een filmscript, een film die overigens nooit gerealiseerd werd. Achteraf voelde Fallada zich hier schuldig over. Hij vertelt een variant op dit thema in zijn roman Alleen in Berlijn welke de geromantiseerde versie vertelt van een waargebeurd verhaal, de verzetsdaad van een arbeider en zijn vrouw, Otto en Elise Hampel in de eerste jaren van de oorlog. Hun verzet heeft vermoedelijk nauwelijks enig effect gehad maar desondanks zijn ze erin geslaagd het complete nazi-apparaat enkele jaren lang goed bezig te houden en om de tuin te leiden. Maar belangrijker nog is het feit dat deze mensen een persoonlijke daad van verzet pleegden. Dat vereiste moed. Zij bewezen dat het kon. Maar Fallada laat vooral heel treffend zien hoeveel persoonlijke moed er nodig was om zo’n daad van verzet te plannen en vervolgens ook daadwerkelijk ten uitvoer te brengen. Hij laat zien hoe onontkoombaar en volledig de controle van de burgersamenleving functioneerde. Het is de samenleving die Hitlers gewillige beulen van Daniel Jonah Goldhagen voortbracht.

In zijn essay Vormen van rouw (opgenomen in Campo Santo, de Bezige Bij 23010) schrijft W.G. Sebald over het onvermogen van de Duitse natie tot rouwen. Iedere herinnering aan de gruwelen waar de Duitser zelf in acteerde werd verdrongen ten gunste van de nieuwe orde, de nieuwe werkelijkheid. Ook de literatuur ging aan dit euvel mank, de schrijvers van de jaren vijftig waren vermoedelijk aan hetzelfde oor doof als die maatschappij zelf, schrijft Sebald. De oorlog was nog maar net ten einde of schrijvers spanden zich al in de goede Duitser ten tonele te voeren. Sebald hierover: “Een gevolg daarvan is dat in de meeste literaire werken van de jaren vijftig, die niet zelden zijn opgesmukt met een liefdesgeschiedenis waarin een brave Duitser en een Pools of joods meisje elkaar ‘ontmoeten’, het belaste verleden niet zozeer emotioneel als wel sentimenteel wordt ‘verwerkt’, terwijl tegelijkertijd nadrukkelijk en met succes wordt vermeden meer te achterhalen over de slachtoffers van het fascistische systeem (..)”.

De roman van Fallada heeft mij tot het einde geboeid maar ik kan niet ontkennen dat de geschiedenis zoals zij door Fallada werd opgetekend hier en daar larmoyant en sentimenteel is. Hier wordt bij uitstek het beeld van de goede Duitser Quangel geschetst inclusief de liefdesgeschiedenissen waaraan Sebald refereerde. De slechte Duitsers zijn gemeen slecht in deze roman en het merendeel van de bevolking vreest represailles van de nazi’s en speelt op zijn best de rol van verklikker en verrader. De goede Duitser beschikt over een onbreekbare wil en weet zich aan het einde van die rol een louterende zuiverheid te verwerven waardoor hij immuun is voor het naderende onontkoombare lot. Welnu, dit mag allemaal zo zij, misschien had Fallada, die in 1947 overleed, persoonlijke motieven om zijn roman juist op deze wijze te componeren. Maar Alleen in Berlijn is – ook de woorden van de door mij bewonderde Sebald ten spijt – een prachtige roman. Het is niet aan mij hem te veroordelen voor momenten van persoonlijke zwakte in een niet te winnen strijd tegen een zo oppermachtige tegenstander als het nazidom. Als je al mag spreken van menselijke zwakte. Wie kan van zichzelf met zekerheid beweren dat hij aan de goede kant zou hebben gestaan?

Goldhagen weet het zeker: alle Duitsers waren gewillige beulen. Ze hadden allemaal de kans, de gelegenheid, de vrijheid om een persoonlijke keuze te maken. Fallada laat echter zien hoe totaal en onontkoombaar de greep van de nazi’s op de samenleving was. Natuurlijk waren er talloze Duitsers die zich graag lieten overtuigen door Hitler en zijn trawanten maar nog veel talrijker vermoedelijk waren degenen die niet zagen, niet wilden zien, die de ogen sloten voor wat zichtbaar was voor wie wilde zien.

In een nawoord schrijft Fallada: “Ooit heeft dit paar, Otto en Anna Quangel, geleefd. Hun protest is op dovemansoren gestuit, blijkbaar hebben ze voor niets hun leven gegeven voor een hopeloze strijd. Maar misschien toch niet helemaal hopeloos? Misschien toch niet helemaal voor niets? Ik, de auteur van een roman die nog geschreven moet worden, hoop dat hun strijd, hun lijden, hun dood niet helemaal voor niets zijn geweest”.

 

Enno Nuy

Januari 2011