Meulenhoff, 586 pagina´s

 

In Strepen aan de hemel schrijft Durlacher (1928 – 1996) over het tijdstip waarop bekend was dat joden massaal werden omgebracht; de geallieerden deden niets en verzonnen aantoonbaar onjuiste argumenten waarom het bombarderen van spoorlijnen niet mogelijk zou zijn geweest. Als je de dagboeken van Heinrich Böll leest, verbaas je je over de volstrekt onnavolgbare troepenbewegingen per trein. Complete legereenheden werden van de ene kant van het Dritte Reich naar het andere overgeplaatst, voor het merendeel – naar het schijnt – telkenmale voor korte duur. In plaats van de natte droom van Bomber Harris, hadden de geallieerden – zo lijkt het althans – veel beter al die Duitse spoorlijnen kapot kunnen bombarderen. Ook met de technische mogelijkheden van die jaren moet het mogelijk zijn geweest spoorlijnen over grote afstanden te vernietigen waardoor herstel in ieder geval heel erg veel tijd zou hebben gekost, met alle gevolgen voor de frontlinies van dien. Hoe het ook zij, voor Durlacher is het niet te bevatten, laat staan te aanvaarden dat  niets is ondernomen om het leven van miljoenen joden te redden.

Het begin van een reis vertelt van het bombardement van Rotterdam, de mislukte vluchtpogingen en de arrestatie van onder meer de familie Durlacher, in afwachting van transport naar Westerbork.

In De illusionisten beschrijft Durlacher het korte verblijf in Theresienstadt, de belofte dat ze daar zouden mogen blijven en de prompt daaropvolgende reis naar Auschwitz-Birkenau. In korte zinnen beschrijft hij de waanzin en de verschrikking die hij ziet: “Ik zie maar begrijp niet”. En zo vergaat het je ook als lezer: ik lees maar begrijp niet. Zijn laatste blik op zijn moeder die op transport gesteld wordt: ”Mijn blik schreeuwt naar haar en haar hart hoort mij. De seconden dat wij elkaar aanzien, met tranen die niet mogen zijn, zijn eeuwigheid”. Ook zijn vader gaat op transport. De jeugd gered door jeugdigheid. Mengele komt voorbij gefietst om ook de zwakkeren onder de jeugd eruit te pikken. Veel joden werden na de oorlog niet bepaald met vreugde ontvangen in hun land van herkomst, beschrijft Durlacher in het nawoord van Bevrijdingen, het relaas van zijn vrijlating uit het concentratiekamp en de terugkeer naar huis via Praag en Parijs. Het thuisfront vierde de bevrijding en had geen oren naar moeilijke verhalen van die enkelen die uit de vernietigingskampen terugkeerden.

Drenkeling bevat korte schetsen van de kinderjaren die de schrijver doorbracht in het Dritte Reich, het gezin Durlacher verhuisde in 1937 naar Rotterdam, op de vlucht voor de bruinhemden. Op de vlucht naar een land dat hen niet zou behoeden voor het ergste. En er waren kansen geweest om naar de VS te emigreren. Na de oorlog keert Durlacher terug naar plaatsen uit zijn jeugd om van zijn Duitse gesprekspartners alleen maar te horen dat ze het niet geweten hebben, dom werden gehouden.

In De zoektocht beschrijft Durlacher zijn wederwaardigheden tijdens zijn toektocht naar overlevenden uit zijn groep destijds in Theresiënstadt en Auschwitz-Birkenau. De zoektocht begint bij Yad Vashem in Jeruzalem, waarna hij naar de Verenigde Staten reist en er tal van lotgenoten ontmoet, ieder met zijn eigen relaas. Veel verdrongen, te ver weggestopt maar zonder uitzondering indringende en ontroerende herinneringen. En tot slot de reünie in Jeruzalem in 1990, een halve eeuw later. Van een van hen mijmert Durlacher: “In zijn zoeken herken ik mijn zoeken, alleen met het verschil dat hij ondanks alles, gelovig is teruggekeerd en ik die rust niet kan of wil aanvaarden”.  Een ander, Tsjech van origine had de pech na de oorlog, teruggekeerd naar zijn geboorteland, verder te moeten leven in het land dat door de hardliners van de communistische ideologie werd bestierd. Ofschoon geschoold als geschiedkundige en filosoof, moest hij op last van de machthebbers zijn intellectuele arbeid opgeven. Hij verklaart tijdens de reünie: “Hoewel dit land (Israël en) mij heilig is, blijft onze plaats tussen de andere volkeren. Als Israëli’s het jodendom verzaken is dat rampzalig. Maar als de joden, als wij de wereld daarbuiten verzaken, is dat niet minder erg”. De opperrabbijn van Ashdod, die zelf de dodenmarsen overleefde, verklaart in reactie op de woorden van de Tsjech: “Dat joden na de holocaust nog steeds in de diaspora leven is mij een gruwel. Herinneren is niet genoeg. Wij horen onze les te leren uit de shoa: niet alleen de nazi’s zijn vervloekt, maar het hele Duitse volk”. De meeste toehoorders, waaronder Durlacher, zijn onaangenaam verrast door de onverzoenlijke woorden van de opperrabbijn. En schokkend is het verhaal van de destijds bekende joodse kinderarts Epstein, die in opdracht van Mengele operaties zonder narcose uitvoerde.

In zijn nawoord gaat Durlacher kort in op de pijnlijke vragen over joden die zich massaal af lieten slachten zonder in verzet te komen. De schrijver verzet zich tegen deze al te simpele benadering. Er was wel degelijk verzet maar de terreur was alomtegenwoordig en allesomvattend, onontkoombaar. Ook wisten de Duitsers haarfijn gebruik te maken van tegenstellingen tussen mensen en groepen mensen. Een groot deel van de omgekomenen stierf niet door gas maar door ondervoeding, ziekten en andere ontberingen.

Tot slot de overlevingsschuld, de vraag waarom zij wel en wij niet. Een vraag die wellicht bij terugkeer gesteld werd, ook al kun je je dat nauwelijks voorstellen. Die vraag is niet te beantwoorden, door niemand. Houd het op de wreedheid van de natuur, het toeval. Te voldoen aan zekere kwalificaties van de nazi’s waardoor je als jongeling werd geselecteerd voor Arbeitseinsatz was geen eigenschap waar je als individu enige zeggenschap in had. Dat velen van de teruggekeerde joden zoveel moeite hadden om hardop te spreken over het onuitsprekelijke dat hen overkwam is niet vreemd, al helemaal niet als je bedenkt dat zij bij terugkeer niet bepaald een luisterend oor aantroffen voor hun lotgevallen. Wie wilde daar nu nog aan herinnerd worden?

Na 1945 beschrijft de terugkeer naar Apeldoorn en de ongastvrije ontvangst door tante en oom, die zelfs geprobeerd hebben de schamele spaarcenten van de ouders van Durlachrer in hun bezit te krijgen. Een aardrijkskundeleraar die het lef heeft antisemitische opmerkingen te plaatsen voor het klaslokaal maar door een leerling naar buiten gedonderd wordt. Maar gelukkig zijn er ook voldoende mensen die zich over de uit de shoah teruggekeerde jongen van 17 jaar ontfermen willen.

In Niet verstaan beschrijft Durlacher zijn ervaringen als student. Niet in staat om vriendschappen aan te gaan, soms hard en kwaadaardig geconfronteerd met oude vooroordelen, het angstvallige vermijden van praten over toen. En dat is de grondtoon van het werk van Durlacher: de verschrikkingen van 40-45 zijn te groot en in zekere zin onoverwinnelijk. De meest veilige manier om hiermee om te gaan is het verdringen van de herinnering. Ook wanneer lotgenoten met elkaar in gesprek zijn, wordt de herinnering veelal angstvallig vermeden. Het werk van Durlacher is fijnzinnig en precies, is literatuur en geschiedschrijving tegelijk. Dat de menselijke natuur kan leiden tot ongekende wreedheden is te bevatten noch te aanvaarden. Het werk van Durlacher laat op een indringende manier zien hoezeer het leven van een mens onomkeerbaar en onontkoombaar wordt beheerst door zulke trauma’s als die welke zich in de Duitse vernietigingskampen voordeden. Het oeuvre van Durlacher is klein maar indrukwekkend.

 

Enno Nuy, november 2012