VUBpress, 211 pagina’s

De verworvenheden van de medische wetenschappen zijn immens en soms lijkt het erop alsof steeds sneller steeds nieuwe ontwikkelingen nieuwe perspectieven opleveren. Dat geldt zeker voor de genomica, de studie van genomen. Sinds de beschrijving van het eerste genoom – het eerste menselijke genoom werd in 2001 beschreven na een ontwikkelingsproces van dertien jaar – is het zeer snel gegaan. Nieuwe methoden en technieken van genetic engineering komen in zicht en regelmatig valt te lezen dat in de nabije toekomst veel van de voorkomende (verouderings)-ziekten voorkomen kunnen worden. Daarmee komt het substantieel verlengen van de levensduur in zicht. En met substantieel bedoelen we dan een levensduur van honderd tot tweehonderd jaar.

Peter Derkx, als hoogleraar humanisme en levensbeschouwing verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, heeft nu een studie gepubliceerd naar een humanistische benadering van de verlengde levensduur.
In het eerste deel van zijn studie gaat Derkx nader in op de geschiedenis van het humanisme en komt uiteindelijk terecht bij het zingevingsvraagstuk. In de humanistische levensbeschouwing staan tenminste vier zinbehoeften centraal. Doelgerichtheid – het leven in het heden verbinden met een waardevol iets in de toekomst. Morele rechtvaardiging – iedereen wil toch graag ervaren dat ieders handel en wandel in moreel opzicht juist is. Eigenwaarde – voor vrijwel iedereen is het van groot belang dat men zichzelf positief kan waarderen. En competentie – mensen hebben graag het gevoel dat ze zelf iets te zeggen hebben over hun leven.
Derkx voegt hier nog een drietal andere zinsbehoeften aan toe. Begrijpelijkheid – mensen willen graag hun leven en hun werkelijkheid begrijpen en kunnen verklaren. Verbondenheid – de behoefte aan contact en overgave. En tot slot transcendentie – het overstijgen van het alledaagse en het eigenbelang door een morele gerichtheid op waarden.

Derkx benadrukt dat een zinvol leven niet hetzelfde is als een gelukkig leven. Het gaat hem erom dat het humanisme een zingevingskader biedt en dat het ervaren van het leven als zinvol van enorm belang is, ongeacht of men daar gelukkig van wordt. In een boeiend hoofdstuk over de ingrijpende biomedisch-technologische levensverlenging schetst Derkx hoe vrijwel alle biogerontologen het er tegenwoordig over eens zijn dat mensen niet genetisch geprogrammeerd zijn om te verouderen en te sterven. Verouderen en sterven zijn slechts een neveneffect van de natuurlijke selectie, die wij ondergaan in onze drang tot overleven en voortplanten. Verouderen is feitelijk het geleidelijk maar levenslang op elkaar stapelen van subtiele fouten in de cellen en organen van het lichaam. De evolutie heeft evenwel niet geselecteerd op mechanismen voor lang in leven blijven van volwassenen nadat ze zich hebben voortgeplant. Anders gezegd: na zich eenmaal te hebben voortgeplant, is het volwassen individu vanuit evolutionair oogpunt een stuk minder relevant geworden. De evolutie staat tamelijk indifferent tegenover dat ouder wordende individu, de belangrijkste taak is immers volbracht.

Als we spreken over aanzienlijke levensverlenging, stelt Derkx, hebben we het doorgaans over een viertal varianten. We worden ouder maar zijn langer ziek. We worden ouder maar door de verworvenheden van de medische wetenschap zijn we korter ziek. We worden ouder omdat we de veroudering hebben kunnen vertragen. En tot slot we worden ouder omdat we erin geslaagd zijn de veroudering te stoppen. Biogerontologen als Olshansky, Perry, Miller en Butler gaan uit van een gematigd scenario waarin de veroudering kan worden vertraagd en de gemiddelde levensduur op afzienbare termijn kan worden verlengd met een periode van zeven jaar. Aubrey de Grey echter, schetst een scenario waarin mensen alleen nog maar sterven als gevolg van ongelukken en oorlogen.

In het laatste hoofdstuk van zijn studie gaat Derkx in op een beoordeling van biomedisch-technologische levensverlenging vanuit humanistisch perspectief. En het spreekt voor zich dat hij dat doet vanuit de eerder vermelde zeven zinsbehoeften. Je kunt je wellicht meer en grotere doelen stellen als je veel ouder wordt maar Derkx betwijfelt of dat werkelijk iets verandert aan je behoefte aan een doelgericht leven. Ook in een leven van tachtig jaar is het mogelijk belangrijke en haalbare doelen te realiseren. Bovendien kan een veel langer leven het gevoel van urgentie aanzienlijk doen afnemen. Ach, vandaag ging het niet, het lukt morgen wel. De vrijdenker Leo Polak beschouwt de dood als de schepper van het leven. De dood ontneemt de mens weliswaar wat hem het meest dierbaar is, maar stelt de mens ook in staat een zinvol leven te leiden. Derkx kijkt mijns inziens terecht kritisch naar deze argumenten: een langer leven hoeft beslist niet saaier te zijn of minder zin te hebben. Hij stelt dan ook dat we aanzienlijke levensverlenging niet uitsluitend moeten evalueren op basis van het leven zoals we dat nu kennen.
Wij zijn inmiddels gewend ons leven te plannen en die behoefte aan plannen zou toe kunnen nemen bij een aanzienlijke verlenging van de levensduur. De kans bestaat dat risicomijdend gedrag de overhand gaat krijgen (het terugdringen van verkeersongevallen) terwijl een risicovoller leven als zinvoller kan worden ervaren dan een leven waarin je voortdurend op safe speelt. Ook vinden mensen het belangrijk dat door hen in gang gezette ontwikkelingen door anderen kunnen worden voortgezet, doorgaans vinden we gezamenlijke doelen belangrijk. Zou het zo kunnen zijn dat aanzienlijke levensverlenging het individualisme versterkt?, vraagt Derkx zich af.
Hij wijst erop dat het van belang is hoe het denken over levensloop en inrichten van de samenleving zich ontwikkelt. Nu is het in grote trekken zo dat men in zijn jongere levensjaren meer gericht is op het verwerven van kennis en vaardigheden voor een werkend leven en dat men met het ouder worden meer aandacht gaat schenken aan sociaal-emotionele waarden. Maar Derkx wijst er terecht op dat dit natuurlijk geen Wet van Meden en Perzen is. Het idee van een zich uit de maatschappij terugtrekkende oudere is toe aan een herziening. Alles heeft zijn prijs, ook ouder worden. En kosten en baten moeten tegen elkaar afgewogen worden. Het is immers niet het leven op zichzelf dat we nastreven maar een zinvol leven dat niet per definitie een lang leven hoeft te zijn.

Aanzienlijke levensduurverlenging hoeft niet, zoals wel gesuggereerd wordt, per se te betekenen dat overbevolking zal toenemen, stelt Derkx. Geboortecijfers blijken veelal te dalen als de levensverwachting stijgt. Maar als materiële welvaart de drijvende kracht is achter het voortplantingsmechanisme, eerder dan een zo hoog mogelijk aantal zich ook weer voortplantende kinderen, ontstaat er een lastige situatie: is het altijd beter om te kiezen voor het verlengen van levens van mensen die al bestaan dan voor kinderen? Het bestrijden van verouderingsgerelateerde ziekten lijkt voor iedereen vanzelfsprekend. Maar het ligt voor de hand te verwachten dat er daarna nieuwe, nu nog niet bekende ziekten zullen ontstaan. En daarmee komt het perspectief van een onbetaalbare gezondheidszorg in beeld. Hoe het ook zij, levensverlenging is maatschappelijk alleen aanvaardbaar als we de financiële, psychische en sociale kosten in de hand kunnen houden, aldus Derkx. We zien nu al een opmerkelijke kloof tussen de levensverwachting van de hoog- en de laagopgeleiden. Die kloof zou weleens vergroot kunnen worden, zeker wanneer levensverlenging alleen mogelijk is dankzij dure pillen of gentherapie.

Sommige ethici wijzen erop dat het ouder worden een natuurlijk onderdeel van de levenscyclus is, die men niet zou moeten bestrijden als een ziekte. Derkx brengt daar tegen in dat “aanzienlijke levensverlenging ‘natuurlijk’ begint te worden, zodra ze in de natuur begint voor te komen. (–) Wat als ‘natuurlijk’ geldt is een culturele constructie, is contextbepaald mensenwerk”. Kortom: ook een aanzienlijke verlenging van het leven door biomedische technologie is op zichzelf geen slechte zaak, waarschijnlijk een goede zaak, zegt Peter Derkx. Maar we moeten ons wel realiseren dat deze ontwikkeling gepaard zal gaan aan tal van neveneffecten die we nu nog niet kennen. Overbevolking en gezondheidsverschillen zijn met zekerheid te verwachten gevolgen. Derkx: “Het zou wel eens uit kunnen draaien op de keuze tussen kinderen krijgen of zelf langer leven”.

Een belangwekkend boek over een uiterst relevant thema. Mij dunkt dat de analyse van Derkx verder reikt dan enkel een humanistische kijk op dit onderwerp. In de paragrafen die handelen over transcendentie, distantieert de schrijver zich nadrukkelijk van een religieuze invulling van dat begrip. Tegelijkertijd hangt nu juist het godgelovig deel van de samenleving fors aan de rem als het gaat om moderne biomedische ontwikkelingen en mogelijkheden. Dat is natuurlijk niet vreemd. Juist voor de gelovige mens wordt transcendentie volledig ingevuld door een hiernamaals, ons in het vooruitzicht gesteld door een god. De biomedische mogelijkheden zijn vooralsnog ongekend en mogen niet geblokkeerd worden voor iedereen door de moraal van sommigen.
Derkx laat op voor mij overtuigende wijze zien dat voor transcendentie geen absolute sterfelijkheid en evenmin een godsidee noodzakelijk is. En dat doet hij op voorzichtige wijze door bepalingen als ‘vrijwel zeker’ of ‘waarschijnlijk’ in zijn tekst op te nemen. Dit boek lijkt mij een uitstekende start voor een levensbeschouwelijke discussie over levensverlenging en de vraagstukken die in het kielzog daarvan op ons af komen. Voor mijn gevoel geeft Derkx overtuigend aan welke vraagstukken zeker een grote rol zullen spelen.
Dit boek kortom, mag niet ontbreken op de leestafel van humanist, vrijdenker en gelovige.

Enno Nuy