Dit is het eerste boek dat ik van Coetzee las en het bleek een buitengewoon intrigerend boek te zijn. Hij beschrijft aan de hand van enkele meer of minder bijzondere gebeurtenissen het leven van een beroemd Australisch schrijfster. De afzonderlijke hoofdstukken zijn op twee na alle reeds eerder gepubliceerd. Dit boek, een roman kun je het eigenlijk niet noemen, stelt zich hoge doelen: de thema’s die aan de orde worden gesteld zijn achtereenvolgens het realisme, de roman of het schrijven, humanistiek (het Joods Christelijk gedachtengoed versus de cultuur van de oude Grieken), het kwaad en eros. Het boek eindigt met een Kafkaësk (een door de schrijfster zeer gehaat predikaat) slot en laat ons in het ongewisse over de afloop van deze barre tocht naar het licht, welk licht?

Vooral de hoofdstukken over de roman, de humanistiek en het kwaad vond ik schitterend waarbij het hoofdstuk over het kwaad het hoogtepunt van dit boek vormt. Costello houdt een lezing in Amsterdam en de essentie van deze lezing is dat een schrijver, tot haar schrik – zo bemerkt zij aan de vooravond van het congres – is de schrijver die zij hierbij specifiek op het oog heeft ook voor het congres uitgenodigd, niet zo maar alles op mag schrijven. Sommige verhalen, geschiedenissen zijn zo verschrikkelijk, zo erg dat de slachtoffers recht hebben op stilzwijgen, er recht op hebben dat de details van smerigheid en ontluistering niet onthuld worden. Letterlijk zegt zij: “Wat een arrogantie, om aanspraak te maken op het lijden en de dood van die beklagenswaardige mannen! Hun laatste uren behoren alleen hun toe, het is niet aan ons om daarin te kruipen en er bezit van te nemen”. En, als antwoord op een vraag uit het publiek: “Toen meneer West die hoofdstukken schreef, kwam hij in aanraking met iets absoluuts. Het absolute kwaad. Zijn zegen en zijn vloek, als u het mij vraagt. Doordat ik hem las, werd die aanraking van het kwaad aan mij doorgegeven. Als een schok. Als electriciteit”.

Ik moest bij het lezen van dit hoofdstuk voortdurend aan Het feest van de bok van Mario Vargas Llosa denken, ik schreef er eerder over. In zijn boek wordt in een nimmer eindigend hoofdstuk uitvoerig en waanzinnig gedetailleerd beschreven hoe een van degenen die een aanslag op de dictator beraamden en uitvoerden, wordt gemarteld tot de dood erop volgt. Ofschoon het hoofdstuk zo gruwelijk is dat het nauwelijks te lezen is, heb je geen keus en lees je door en hoop je dat de schrijver je ergens troost zal kunnen bieden. Vargas Llosa doet dat inderdaad en op een onnavolgbaar mooie manier: hij beschrijft hoe het slachtoffer de martelingen ondergaat net zo lang tot hij geheel onthecht raakt en een loutering ondergaat die hem totaal ongevoelig maakt voor welke foltering dan ook, tot het moment dat hij bezwijkt onder dit absolute kwaad en een serene dood sterft.
Ik heb mij bij lezing van dit boek vaak afgevraagd of je zoiets moet optekenen en het boek is meerdere keren op een onaangename wijze in mijn dromen en herinneringen weergekeerd.
Maar terug naar het Kwaad van Elizabeth Costello: aan het einde van dit hoofdstuk wordt duidelijk waarom zij zich zo verzet tegen de roman van de door haar gewraakte auteurs. Haar broers zijn kennelijk onder identieke omstandigheden om het leven gekomen. Zo blijkt haar verzet tegen het absolute kwaad een verborgen houden van een strikt persoonlijke tragedie. En dat is iets wezenlijk anders. Wat rest is de vraag hoe dat dan zat met die broers. Gezien de leeftijden en het thema van de roman van de gewraakte auteur moet het om het Derde Rijk gaan. Maar Elizabeth Costello was van origine Australische. Nu hebben er bij mijn weten wel enkele contingenten Australische soldaten meegevochten in WO II maar het zou wel zeer toevallig zijn wanneer juist haar broers in een concentratiekamp zouden zijn omgekomen. Dit deel van het verhaal blijft wel heel erg duister en vaag, tenzij ik het niet goed begrepen heb.

Tot mijn verrassing bleek een korte verkenning op Internet te leiden naar een repliek van Vargas Llosa tegen Elizabeth Costello: letterlijk zegt Vargas Llosa: “Literatuur maakt mensen niet gelukkiger of beter of slechter. Wel scherpzinniger, meer bewust van wat ze hebben en wat ze missen om hun dromen te vervullen”. Met deze uitspraak verzet hij zich, mijns inziens terecht, tegen de stelling van Costello dat kunst of literatuur gevaarlijk kan zijn.
Laten we niet in de fout vervallen voor Costello Coetzee te lezen. Dat is tevens een van de centrale thema’s in dit boek: wat is een schrijver, wat vertegenwoordigt hij of zij, is een schrijver niet meer dan een secretaris of secretaresse van het onzichtbare, zoals Elizabeth Costello in het laatste hoofdstuk vertelt wanneer zij toegelaten wil worden tot het licht, welk licht?

Coetzee laat een schrijfster aan het woord en we moeten ervan uitgaan dat zij niet zijn maar haar eigen overtuigingen, geloof en ongeloof laat zien. Geloof is tegelijkertijd het centrale thema van het laatste, bijna apocalyptische, hoofdstuk; Costello worstelt hiermee en maakt een onderscheid tussen haar strikt particuliere overtuigingen en wat zij zich in haar rol van secretaresse van het onzichtbare kan permitteren maar gaandeweg het hoofdstuk wordt duidelijk dat ze dit onderscheid steeds moeilijker vindt, ze is bereid tot opschuiven en tegelijkertijd verzet ze zich daartegen. Zo laat Coetzee een vrouw van vlees en bloed aan het woord met strikt particuliere opvattingen
die nochtans niet zomaar uit de lucht zijn gegrepen. Overtuigingen, ervaringen en gevoelens, ze worden in soms aangrijpende taal geschetst, het hoofdstuk dat verhaalt van haar non geworden zuster is aangrijpend en onthutsend tegelijk. Kortom, een boek vol valkuilen en handelend over al die dingen die er werkelijk toe doen. Te intellectualistisch voor velen, vrees ik, maar een prachtig boek!

Enno Nuy 2003