Meulenhoff 347 paginas

 

Waarom de omslag op de voorkant vermeldt dat we hier met een meesterwerk van doen hebben, weet ik niet. Ik houd niet zo van zulke mededelingen en ik wil graag zelf vaststellen of een boek zo goed is als gezegd of geschreven wordt. Ook wordt het boek aangeduid als een roman terwijl de schrijver zich voortdurend blijft verzetten tegen beschrijvingen of interpretaties die nergens onderbouwd kunnen worden en rechtstreeks aan zijn eigen fantasie lijken te ontspruiten. Maar kom, noem het een meesterwerk of een roman, feit is dat ik het een fascinerend en schitterend boek vond, waarin de auteur vooral het proces van het schrijven van een geschiedkundig onderzoek beschrijft om tegelijkertijd een ongekend huiveringwekkend beeld van een van de meest sinistere nazileiders te schetsen terwijl tegelijkertijd wordt beschreven hoe Tsjechische en Slowaakse verzetshelden van de regering Beneš in Londen een opdracht krijgen waarbij de kans dat zij het er levend van af brengen nagenoeg nihil is om ons tot slot en passant ook nog af en toe een inkijkje in zijn eigen privé leven te bieden.

Wat vooral zo fascineert aan dit werk is dat je ondanks je aversie tegen de ongekende kilhartigheid en misdadigheid van de nazi Heydrich toch graag had willen weten waar de geschiedenis hem had gebracht als hij niet het slachtoffer was geworden van zijn eigen hoogmoed en nalatigheid, waardoor een Tsjech en een Slowaak hem om het leven konden brengen. En dat je ook al weet je hoe deze geschiedenis afloopt tot het einde toe leest alsof er wellicht toch nog een kans om te ontsnappen opdoemt voor onze Tsjecho-Slowaakse helden. De bestorming en beschieting van de kerk door de nazi’s is ronduit bloedstollend. Dit historisch feitenrelaas leest in al zijn lagen als een ongekende page turner. Als Binet een hoofdstuk of paragraaf af heeft en later tot de ontdekking komt dat hij onzorgvuldig is geweest of zelfs een fout heeft gemaakt, kiest hij er niet voor die fout of onzorgvuldigheid te herstellen – en wat zou meer voor de hand liggen? De lezer zou het nooit te weten komen – maar prefereert hij die fout of onzorgvuldigheid in een volgende paragraaf te vermelden en daar alsnog recht te zetten. Een prachtige literaire vondst die nergens getruukt overkomt maar vooral laat zien hoezeer Binet zich in de stof en zijn personages heeft vastgebeten en hoeveel moeite het soms kost een eenmaal ingeslagen pad weer te verlaten.

Wat telkens weer frappeert in alle literatuur en lectuur over das Dritte Reich is de totale en onontkoombare grip van de nazi’s op de Duitse samenleving. De combinatie van SS, SD, Gestapo en de gewone Polizei stelde hen in staat in beginsel iedere burger op de voet te volgen en meedogenloos in te grijpen als hen dat nodig leek. Het nazi opsporingsapparaat was tot in de perfectie georganiseerd maar daarbij dient dan wel de kanttekening te worden geplaatst dat het apparaat haar basis vond in pure terreur en de ergste vormen van intimidatie, in rancune en blinde haat. Wanneer die attributen van een staatssysteem in alle openheid worde gehanteerd, is het niet meer zo heel erg moeilijk het systeem tot in de perfectie te organiseren.

Binet stelt onomwonden dat de gelatenheid waarmee de joden hun lot ondergingen van invloed is geweest op de mate waarin de nazi´s uiteindelijk huis konden houden. Als de joden zich veel meer verzet hadden en onder waren gedoken, zouden de nazi´s voor enorme inventarisatie- en opsporingsproblemen zijn geplaatst. Zeker zouden er ook dan misdadigheden hebben plaatsgevonden maar, stelt Binet, “alles wijst erop dat we dan niet van genocide hadden kunnen spreken”. Ik denk niet dat iedereen deze konklusie zal willen onderschrijven maar welke literatuur men ook leest – Hans Fallada, Laurent Binet, Hans Keilson, Rudolf Lorenzen, Joachim Fest, Sandor Márai – overal valt te lezen hoe er voor joden geen enkele ontsnappingsroute leek te bestaan. De repressie van het systeem en de bereidheid van niet joodse burgers de joden aan te geven bij de autoriteiten of als een verlengstuk van die autoriteiten het recht in eigen hand te nemen, maakten de situatie voor de joden vrijwel hopeloos. Niemand heeft bijtijds voorzien – behalve wellicht Joseph Roth die in 1934 schreef: “Wat een gekrioel op deze wereld, en dat één uur voor het einde!”- dat er een afschuwwekkende oplossing werd bedacht voor wat men het joodse vraagstuk noemde. En toen men het eenmaal begreep, was het te laat en  was er geen ontkomen meer aan een onbeschrijflijk wreed en inhumaan lot.

Interessant is de geschiedenis van de Sudetenduitsers. Ottokar II, ook wel de koning van ijzer en goud genoemd, besluit in de dertiende eeuw tot een omvangrijke Duitse immigratiepolitiek omdat hij een heimelijke bewondering koestert voor het Pruisische Rijk en de beschaving van de Duitsers. “Hij rechtvaardigt zijn politiek met de behoefte aan mankracht voor zijn mijnen”. En zo brengt hij honderdduizenden Duitsers ertoe zich in zijn mooie land Bohemen te vestigen. Meer dan zeven eeuwen later is Sudetenland nog steeds onderwerp van verhitte politieke discussies. Binet beschouwt Heydrich als de bedenker van de jodenster, de kwade genius achter de bekrachtiging van de Endlösung op 20 januari 1942 en de architect van de vernietigingskampen. Adolf Eichmann was zijn hulpje, de uitvoerder. Zijn beschrijving van het karakter, de psyche van Heydrich is op een indrukwekkende manier ronduit ijzingwekkend. Krijgt Max Aue bij Jonathan Littell nog wel iets van een geweten en moraliteit mee, Binet heeft niets daarvan aan kunnen treffen bij Heydrich. Het is en blijft huiveringwekkend en verontrustend om te lezen, ook zoveel tientallen jaren na dato.

Overigens, wanneer Binet het personage Max Auer nog eens overdenkt en zich stoort aan diens filosofisch geredeneer, zijn naargeestig sadisme en seksuele frustraties, schrijft hij: “….ach natuurlijk! Waarom ben ik daar niet eerder opgekomen? Ik zie het opeens heel duidelijk: De welwillenden, dat is gewoon ‘Houellebecq bij de nazi’s’”. Kortom, een meesterwerk dit geschiedkundig feitenrelaas maar niet omdat de omslag van het boek dit vermeldt maar omdat ik het zelf al lezend heb vastgesteld.

 

Enno Nuy

Maart 2011