Uitgeverij De Arbeiderspers, 150 pagina’s

 

De novelle Gitta van de Vlaamse schrijver Eriek Verpaele verscheen in 1997. De uitgeverij spreekt van een roman maar net als de andere werken van Verpale: wat het ook is, zeker geen roman. Meestentijds gaat het om een combinatie van dagboeknotities en brieven. Zo ook nu. In deze laten we het dan toch maar een novelle noemen, doet Verpale verslag van de drie weken die hij in het Belgisch leger moest dienen als reservist ergens in Duitsland. Ronduit hilarische verhalen vol modder, regen, drank, prostitutie, geldgebrek en misverstanden. Maar eigenlijk gaat het over zijn min of meer heimelijke liefde voor de 13-jarig Gitta, nichtje van de echtgenote van de schrijver. De rol van een zekere Merel, aan wie de schrijver in dit boek zeven brieven schrijft, wordt niet helemaal duidelijk. Is zij een afleidingsmanoeuvre? De schrijver zegt haar zeer te missen en doet haar tal van confidenties, onder meer over Gitta. Maar meer helderheid hieromtrent verkrijgen we niet.

Is Verpale met zijn voorkeur voor magere jonge meisjes een pederast? Die vraag bungelt op een of andere manier altijd boven het proza van de Vlaamse schrijver. Niet in de laatste plaats door de verwijdering tussen Verpale en zijn vriend, de eveneens Vlaamse dichter en schrijver Luuk Gruwez. Over die verwijdering kan ik nauwelijks oordelen, zij het dat ik de indruk heb dat Gruwez wel wat laat met zijn bezwaren komt. Ook kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Gruwez zich te weinig realiseert dat hij zijn naamsbekendheid mede te danken heeft aan zijn betrekkingen met Eriek Verpale.

Enfin, de wijze waarop Verpale over zijn heimelijke liefde schrijft is fijngevoelig en veelal ontroerend. Het meisje heeft vermoedelijk nooit geweten dat de oudere schrijver-boekhouder verliefd op haar was. Er werden op dat vlak nooit confidenties uitgewisseld, laat staan dat ergens sprake zou zijn geweest van het consumeren van een liefde. Met betrekking tot Gitta is de schrijver niet in de verste verten ook maar in de buurt gekomen van enige lichamelijkheid.

Ik ben op de een of andere manier onder de indruk van het proza van Verpale. Hij schrijft een zeer mooi Nederlands, rechttoe en in heldere taal. Elk woord lijkt raak. En hij heeft ontegenzeglijk gevoel voor humor, maar wel een droog soort humor, zijns ondanks welhaast. Zijn beschrijving van een nachtelijke schijtpartij in de stromende regen in zijn achtertuin is hilarisch maar het wordt nog veel erger wanneer zijn echtgenote de volgende dag…enfin, dat moet u zelf maar lezen.

Dat Verpale zich ook vandaag de dag nog uitstekend laat lezen zegt iets over een zekere tijdloosheid in zijn proza. Hij schrijft over ‘kleine’ gebeurtenissen en over ‘kleine’ mensen, er overkomt hemzelf in al deze geschiedenissen niet het fraaiste lot maar hij schrijft daarover met een aanstekelijke zelfspot waardoor hij vermijdt dat zijn tragikomische beschrijvingen de uitwerking van een klaagzang krijgen. Wat mij betreft is deze Eriek Verpale een ‘kleine’ schrijver van een beperkt maar toch groots oeuvre. Jammer dat hij er niet meer is, hij behoort tot het type schrijver dat je tot in lengte van dagen gretig blijft lezen.

 

Enno Nuy
Juni 2020