Arbeiderspers, Privé-domein, 343 pagina’s

 

In deze uitgave van Privé Domein zijn brieven gepubliceerd die Eriek Verpale (1952 – 2015) tussen 1977 en 2002 schreef aan zijn (beminde) vriend en collega dichter en schrijver Luuk Gruwez, gekozen en bezorgd door Hannah Debeyser. Verpale schrijft nu weer Nederlands, dan weer Vlaams en geregeld weeft hij ook het zware dialect tussen Blijkens het fotokatern heeft hij een mooi en zeer regelmatig handschrift, jaloersmakend gewoon.

De schrijver nam me in voor Heine (1797 – 1856) die bij gelegenheid van zijn huwelijk met de Parisienne Mathilde aan familie en vrienden schreef: ‘De 31e augustus huwde ik Mathilde C. Murat, met wie ik al langer dan 6 jaren in onvrede leef.’ Deze Mathilde stierf op dezelfde dag als Heine, 17 februari, maar wel 27 jaar later.

Verpale doet geregeld aan Reve denken, hij bezigt nogal eens diens enigszins gedragen, somtijds wat archaïsche schrijfstijl. Hij bewonderde Reve naar eigen zeggen vanwege diens vermogen om ogenschijnlijk lukrake anekdotes toch onder een gezamenlijke noemer samen te brengen.

Verpale leidt zijn leven moeizaam, vaak geplaagd door depressies of aambeien, in de ban van wel erg jonge meisjes of in beslag genomen door zijn volstrekt onnutte baan bij een chemiefabriek in Zelzate. Redenen en aanleiding genoeg voor een writers block. En als hij dan eens wat bijeen geschreven heeft, keurt hij het af en vernietigt het. Maar zijn brieven zijn werkelijk ongeëvenaard. Prachtige stijl en toch ongekunsteld, Verpale weet wel hoe hij zichzelf moet relativeren en laat geen gelegenheid voorbij gaan om zichzelf te bekritiseren en omlaag te halen.

Maar hij is ook geregeld ronduit geestig. Als Verpale op zekere nacht meent dat het nu toch bedtijd is verzucht hij: “Als God echt bestaat dan droom ik vannacht dat ik barman ben, in een meisjespensionaat”. De een vindt dit wellicht tamelijk flauw, ik niet, ik moet er hartelijk om lachen.

Zoals ik ook moest lachen waar hij schreef: “vanavond heb ik voor het eerst in mijn leven met de oven geëksperimenteerd, niet uit Jüdische Selbsthass, maar om er zoiets als een boerenpotje in te schuiven.”

Verpale bewonderde zijn vriend en collega-dichter, beschouwde hem vaak als zijn meerdere en bejegende hem zonder uitzondering in vriendschap, ja zelfs liefdevol. En dan te bedenken dat Luuk Gruwez later zo wreed, ruw en hautain afstand zou nemen van de man die de kunst van de briefschrijverij als geen ander beheerste. En dit boek is daar een prachtig bewijs van.

En zeker zijn brieven over de liefde zijn onvergetelijk mooi. Verpale had een bijzondere belangstelling voor jonge meisjes, te jonge meisjes. In deze tijden zou hij daardoor zeker in problemen geraken. Hoe ver die liefde ging zullen we nooit weten, nooit en nergens, nu ja een enkele keer daargelaten, wordt Verpale al te expliciet over zijn seksuele escapades. En zo blijven zijn teksten over meisjes in zekere zin aandoenlijk en over zijn grote liefde Boes schrijft hij ronduit ontroerend, nooit krijg je het gevoel dat hij een ongezonde of onaanvaardbare liefde zou koesteren.

Natuurlijk, Verpale fabuleerde er soms op los. Zo kende hij zijn overgrootmoeder een Joodse komaf toe die zij aantoonbaar niet bleek te bezitten. Van de deels Joodse identiteit die de schrijver zichzelf toedichtte bleef aldus weinig over. Wat ook zijn beweegredenen geweest mogen zijn, ik kan het hem niet euvel duiden. Ook dat hij in de laatste tien jaar van zijn leven niets noemenswaardigs meer publiceerde evenmin. Wat hij daarvóór schreef was meer dan genoeg om me hem graag te herinneren en te herlezen. Mooi dat deze brieven nu bijeen zijn gebracht in de Privé-domeinreeks van de Arbeiderspers.

 

Enno Nuy
Juni 2022