1

Mysliwski, Wieslaw – Het oog van de naald

Em. Querido’s Uitgeverij, 444 pagina’s

 

“Het leven loopt op ons vooruit, moet u weten, wij sloffen er maar wat achteraan. En verderop: “Het leven is achter jezelf aan dwalen zonder de hoop te hebben jezelf ooit te vinden”.
“Want van alle wetenschappen staat geschiedenis het meest bloot aan de lusten van degenen die haar ondergeschikt zouden willen maken “.
“Platvloersheid en verhevenheid zijn een Siamese tweeling”.
En een typische Mysliwski zin: “Helaas is het begin van nature ongrijpbaar, onwaarneembaar zou je kunnen zeggen, dus wie weet bepaalt het einde pas het begin”.
“Want wat betekent voorwaarts anders dan naar de dood?”
“Trouwens, het verstand en de waarheid verhouden zich tot elkaar als de vuist en de neus”.
Zomaar een paar opmerkingen en observaties van de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski (1932), een onweerstaanbare romancier en schrijver van zulke prachtige boeken als Over het doppen van bonen, Steen op steen, De horizon en De laatste hand.

In de tien hoofdstukken van dit Het oog van de naald haalt de nergens een naam krijgende ik-figuur herinneringen op aan periodes uit zijn leven. Heerlijke verhalen zijn het, zonder uitzondering. Prachtig en bijna hilarisch is het verhaal waarin de ik-figuur bijles geeft aan een student, daarbij geholpen door een tweede bijlesleraar die vooral de praktische vaardigheden voor zijn rekening nam. Het honorarium voor beide docenten? Het bed met de opdrachtgever delen waarbij de middelste met zijn stinkvoeten tussen de gezichten van de beide andere slapers lag. Woonruimte moest je toegewezen worden en wie die eer niet te beurt viel of het zich niet kon veroorloven, die zocht enkel een bed. De gewone mens moest zich met weinig of minder dan dat tevreden stellen.

We komen in ieder hoofdstuk ietsje meer te weten over het leven van de ik-figuur maar de jonge vrouw op wie hij zijn leven lang wachtte komt pas en slechts eventjes terug in het voorlaatste hoofdstuk van deze roman. Wie is deze professor van wie we alleen te weten komen dat hij getrouwd is geweest en een zoon had (had? Leeft die zoon dus niet meer? We komen het niet te weten.) Heeft hij ooit de liefde gekend? Ooit gehouden van het meisje op wie hij zijn leven lang vergeefs wachtte? Het meisje waarvan hij ooit afscheid nam ook al weet hij niet zeker of dat afscheid verliep zoals hij zich dat herinnert. Hoe hij zich dat afscheid herinnert, krijgen we evenwel niet te horen. Zelf zegt hij dat hij van haar hield maar meer dan een jeugdliefde wordt zij nergens. Heeft de ik-figuur liefde gekend? In een van zijn verhalen beschrijft hij hoe hij zijn niet onaantrekkelijke hospita, die naakt ijlings haar woning had verlaten na een onverkwikkelijke ruzie met haar dochter, uit het bos naar huis draagt. Een gebeurtenis die toch aanleiding zou kunnen zijn voor op zijn minst een licht erotische toets maar daarvan is in het geheel geen sprake.

Geregeld komen we gedenkwaardige figuranten tegen in de verhalen van Mysliwski. Zoals de vrouwelijke beambte juffrouw Klara. Zij weet ons te vertellen: “In een huwelijk komt nu eens de man aan zijn trekken, dan weer de vrouw. Zelden tegelijkertijd”. En even later voegt ze daar aan toe: “Water voelt bij aanraking prettiger dan een mannenlichaam”. Misschien niet zo gek dat ze nog steeds juffrouw genoemd werd. Heerlijk, zulke personages. Maar de ik-figuur verklaart: “Voor het leven heb ik geen talent”.

Dan is er uiteindelijk toch die ontmoeting met het vriendinnetje uit zijn jeugd. Merkwaardig is dat de schrijver ons op pagina 377 vertelt dat “juffrouw Klara besloot om niet mee naar boven te gaan” maar uit het vervolg blijkt dat ze wel tot het gezelschap behoort dat boven met de nu oude vrouw in gesprek is gegaan.

Onze nog steeds naamloze ik-figuur herkent in die vrouw evenwel niet het vriendinnetje waar hij jarenlang vergeefs op wachtte. Ook al wist ze veel van zijn jeugd en zijn ouders, hij herkende haar niet. En zo komen we niet te weten of zij het nu wel of niet was. Ze stak enkele fraaie tirades af maar ze had niets van een met geheimzinnigheid omfloerst meisje van wie je alleen maar kon houden, op wie je wel verliefd móest worden. Zij leek mij een ontnuchtering en misschien wilde onze hoofdpersoon zich haar wel helemaal niet herinneren, niet zó. Als je iemand zo lang niet gezien hebt, heeft zich in al die tussenliggende jaren een beeldvorming voltrokken waar het meisje zelf in het geheel niets over te zeggen heeft gekregen. Het verstand en de waarheid, de vuist en de neus.

Deze roman gaat niet, zoals de uitgever ons op de achterflap van het boek wil doen geloven, over liefde maar over het herinneren, over ons geheugen, over de betrouwbaarheid of liever de onbetrouwbaarheid daarvan. Sterker nog, het centrale thema in het werk van Mysliwski is juist dat geheugen, het herinneren. In De horizon schreef hij: “Want vastheid van het geheugen is de maat van de wanhoop en wanhoop is immers niets anders dan de trotse en geduldige verbintenis van de mens met zichzelf”. In deze roman schrijft hij: “Het verleden maakt zich altijd ondergeschikt aan het huidig beleefde moment.” Nooit kunnen we zeker zijn dat de werkelijkheid was zoals we ons die herinneren.

De uitgever schrijft dus op de achterflap dat dit “tegelijkertijd een ontroerende roman over de liefde is”. Waarom doet de uitgever de waarheid zo onnodig geweld aan?

Terug naar Het oog van de naald. Vooral in het begin van de roman komen we behalve de ik-figuur ook diens oudere alter ego tegen. De oudere ik weet natuurlijk veel meer dan de jongere maar hij past er wel voor op hem alles te vertellen. De mens kan nu eenmaal niet voor zijn fouten of dwalingen behoed worden. Vond Mysliwski deze oudere ik uiteindelijk toch een lastige stijlfiguur? Ik persoonlijk denk van wel want al spoedig komen we hem niet meer tegen.

Surrealistisch eindigt het verhaal over het feest dat de huisbaas van de ik-student geeft. En even surrealistisch als magistraal is het einde van deze roman. Ik zal hier geen details prijsgeven, dat zou onvergeeflijk zijn.

Over de vertaling van Karol Lesman kan ik kort zijn: die is voortreffelijk, zoals ook zijn eerdere vertalingen van Mysliwski meer dan overtuigen. Alleen al zijn vertaling van een vechtpartij op de kermis in Steen op steen is werkelijk onvergetelijk! Toch nog enkele opmerkingen over de vertaling van Het oog van de naald.
Op pagina 56 komt een ‘woiwode’ voor maar ook in het verklarende woordenlijstje achterin wordt dit woord niet toegelicht? Ik had echter nog nooit van een woiwode gehoord.
Op pagina 11 schrijft de vertaler: “Die neef kan me de bout hachelen”. Dat is prachtig natuurlijk. Mooi om die bijna verloren gegane uitdrukking hier weer eens tegen te komen. Dank aan de vertaler.
Maar heel bevreemdend vond ik dat de moeder in het vijfde hoofdstuk opeens van ‘ge’ spreekt als ze ‘je’ bedoelt terwijl zij zich in de voorgaande hoofdstukken nergens van die aanspreekvorm bediende. Op zijn zachtst gezegd is dat toch merkwaardig. Zeker als je bedenkt dat ze tegen haar man en zoon gewoon het ‘je’ en ‘jij’ gebruikt.
Op pagina 293 is sprake van een ‘zespijper’ inclusief de aanhalingstekens maar de vertaler meent dat we zelf wel kunnen verzinnen wat hier bedoeld wordt. Het blijkt om een soort boevenwagen te gaan. Maar waarom dat niet even in een noot toegelicht?
Op pagina 325 lees ik in de vertaling: “Hij was een bekende, gewaardeerde architect, het ging hun voor de wind en hij had die zomerse villa geprojecteerd“. Waarom staat hier niet ‘ontworpen?

Kleinigheden hoor want laten we wel zijn: vertalen is een moeilijk vak. En zeker Mysliwski vertalen lijkt mij geen sinecure. De schrijver is een meester in de weglating en je moet uit zijn zinnen maar zien op te maken wie er nu weer aan het woord is. Maar Lesman slaagt erin te voorkomen dat we de weg kwijtraken, ook al moet je nogal eens voorgaande alinea’s teruglezen om er zeker van te zijn dat je onderweg de draad niet verloor.

Mysliwski behoort (samen met Krasznahorkai) tot de grote Europese schrijvers van dit moment. Ik hoop maar dat hij tijd van leven heeft voor nog zo’n magistrale roman. Gelukkig komt er toch nog iets goed uit dat beklagenswaardige Polen van PiS.

Enno Nuy
November 2021