Querido, 343 pagina’s

 

Van Thomas Lieske weten we dat hij over een levendige en beeldende fantasie beschikt. Destijds verbaasde ik me erover dat hij in Gran Café een wereld schiep die volkomen authentiek en geloofwaardig overkwam. Alsof het vanzelfsprekend was dat zijn volgende boek zich eveneens in Spanje af zou spelen, daar immers leek zijn biotoop te liggen.

Hetzelfde overkwam me bij het lezen van zijn laatste roman Dünya die zich geheel in het Turkije van het interbellum afspeelt.

De roman beschrijft de merkwaardige lotgevallen van twee Nederlandse avonturiers die zich – terwijl hun vaderland neutraliteit verkoos – aanmelden bij het Britse leger dat hen echter – juist vanwege die officiële neutraliteit van hun regering – uitsluitend in wil zetten als stoker op Britse oorlogsschepen.

Ze stranden in de Dardanellen waar hun schip door de Turken wordt opgeblazen, worden gevangen genomen, weten te ontsnappen en zijn getuige van een lynchpartij op Armeniërs, bij welke gelegenheid zij een half jaar oude baby roven en zo wellicht onttrekken aan een wrede dood maar worden daarna met het kleine meisje weer gevangen genomen om vervolgens diep in het onherbergzame Turkije tewerk gesteld te worden in een Zeppelinfabriek.

Omdat de autoriteiten hen maar rare snuiters vinden, laten ze de wulpse Turkse Dünya, die op heterdaad ontmaskerd werd als winkeldievegge de beide Hollanders verzorgen en ‘schaduwen’.

Het verhaal wordt verteld aan de hand van de elkaar afwisselende getuigenissen van Dünya en Simon, de babyrover en zich vader noemende ontfermer over de bevallige maar ongenaakbare Julia. Een prachtige roman over soms buitengewoon merkwaardige karakters. Maar die buitenissigheden storen niet omdat Lieske zo’n rasverteller is van wie je bereid bent veel voor waar te houden.

Omdat de roman zich afspeelt tijdens het interbellum, bedient Lieske zich regelmatig van begrippen en termen  waarvan niet zomaar te ontcijferen is wat ze precies betekenen. Er is sprake van een wangaffel en uit de context maak je op dat het om landbouwgereedschap gaat maar wat je met het ding kunt doen? Ik heb het nergens kunnen vinden.

Tofelemoons laat zich nog opzoeken en blijkt een synoniem voor katholiek te zijn. Ook elibelindemotiefjes zijn na enig googlen nog wel te achterhalen, net als schwadronneur. En dat bruine kroep staat voor anus of achterwerk, is eveneens uit de context te herleiden, zoals humidor (een opbergsysteem voor sigaren om ze tegen uitdrogen te behoeden) een metafoor is voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Kortom, Lieske zet je wel aan het werk. Ik mag dat wel en mits de gebruikte termen ook inderdaad ergens te vinden zijn, mag een notenapparaat wat mij betreft wel achterwege blijven.

Maar wanneer Otto wordt vergeleken met dr. Steelhammer, raken we het spoor bijster. Op google vinden we tientallen pagina’s met de moderne Steelhammer: een boxer. De oude Steelhammer zal dus ook wel een boxer geweest zijn maar ik kon hem niet traceren.

En in het prachtige hoofdstuk waarin Grunwald de bouw van een luchtschip beschrijft, komt de term Ruderpfosterkranz voor. Als Lieske dit zelf bij elkaar gefantaseerd heeft neemt mijn bewondering alleen maar toe. Maar wat het ding voorstelt, welke functies het heeft, hoe het eruit ziet, waar het vandaan komt? Nergens te vinden.

Op pagina 163 komt een volstrekt raadselachtige zin voor: “Ik kreeg de indruk dat ik in de maling genomen werd. Maar spottershuisje brandt ook goed. Ik raapte alle moed bij elkaar enz”. Dat spottershuisje intrigeert mateloos en ervan uitgaande dat spottershuisjes doorgaans van hout gebouwd zullen zijn, zullen ze ook wel goed branden. Maar wat dat zinnetje hier te betekenen heeft? God mag het weten.

Voor het overige: laat Lieske maar schrijven. Dit is geen diepgelaagde roman maar hij fascineert wel omdat Lieske erin slaagt ruwe karakters merkwaardige maar geloofwaardige avonturen te laten beleven in een dramatisch maar prachtig tijdgewricht en in een tumultueuze periode van de Turkse geschiedenis.

 

Enno Nuy
Oktober 2007