Samengesteld door Onno Blom

De bezige bij, 296 pagina’s

 

Vreemd eigenlijk dat ik nooit iets van Gerrit Komrij (1944 – 2012) las. Nu, in deze bloemlezing van Onno Blom, lees ik meer dan genoeg dat zeer lezenswaard is, ook tien jaar na diens verscheiden. Komrij was onder meer bekend – en gevreesd – vanwege zijn boekrecensies. De recensie van Dirk Ayelt Kooiman is een kostelijke pastiche en ook Bernlef krijgt er genadeloos van langs, terecht trouwens. Evenals Bertus Aafjes die aan de recensent van diens potsierlijke erotische verzen de ontnuchterende werkelijkheid ontlokt: “Je loopt er hersenplatjes van op”.

Maar ook Mulisch komt er niet best van af bij Komrij die de grote schrijver verwijt “nog voor de grootste onzin niet terug te deinzen waarbij gebrek aan logica en hang naar mystiek wel het meest opvallen”. En, schrijft hij verder: “IJdelheid, je staat verbluft van zoveel ijdelheid”. Het is vanwege dit laatste dat ik weigerde na Het stenen bruidsbed nog iets van Mulisch te lezen. Ik denk niet dat hij heden ten dage nog gelezen wordt. Komrij over Mulisch: “een vonkje dat je nodig hebt om door mystificaties te kunnen verdonkeremanen dat je niet deugt”. De bloemlezer laat ons weten dat Komrij ondanks deze vernietigende beschouwing toch werd toegelaten tot de inner circle van de grote schrijver. Dat dan weer wel.

Buitengewoon scherp en ontnuchterend vond ik het wat langere stuk Waarom zijn Nederlanders zo dol op homoseksuelen? De homoseksuelen zijn daadwerkelijk doodgeknuffeld. Met een fileermes analyseert Komrij de homocultuur en konkludeert dat hij er het liefste niet meer toe zou behoren.

Heerlijk zijn de stukken verzameld onder de titel De onwelriekende gleuvenbrigade. Bottom line: vrouwen zijn net zo erg en dom als mannen. En in Het boze buitenbos schrijft Komrij fraai: “Het reusachtige abces van onze vrijheid en welvaart voelt de jeuk van de kleine strontvlieg niet”. Systeemkritiek is hier bij ons integraal onderdeel van het grote geheel waarin wij westerlingen ons voortdurend zand in de ogen laten strooien.

Wat mij persoonlijk betreft schiet Komrij hier en daar wel door, zeker als hij het voor de Amerikanen op meent te moeten nemen. Dat lijkt mij nou net zo misplaatst als de door hem hier goed gefileerde Moskou-sympathie. Kortom: Komrij had Noam Chomsky wel eens mogen lezen. Verderop stelt hij de socialisten verantwoordelijk voor Vinex-wijken en de steeds bekrompener en duurder woningbouw in onze steden en dorpen maar dat is bijna kwaadaardig. Nee, een socialistenvriend was Komrij niet in het minst. Overigens ben ik het natuurlijk geheel eens met Komrij: gedurfde en creatieve architectuur wordt vrijwel niet besteed aan woningen van gewone mensen en iedereen die in dat proces een rol speelt zou zich diep moeten schamen!

Genieten is het met de stukjes over de treurnis uit de tijd dat Komrij actief was als tv-recensent. Natuurlijk, enkele van deze stukjes zijn nu gedateerd maar ik kan het wel waarderen als hij good old Albert Mol (wie kent hem nog?) vergelijkt met “een gedeballotteerde bok, die ze op een spaanplaten fopgeit hebben gezet”.

De schotschriften tegen de scientologykerk zijn me uit het hart gegrepen. Tegelijkertijd moet ik hier opmerken dat Komrij geen polemist als Jeroen Brouwers is. Brouwers neemt er meer tijd voor en komt beslagener ten ijs dan Komrij, die vooral zijn woede en afkeer etaleert. Maar niettemin, toch graag gelezen zijn filippica tegen de sekte die nog steeds even verderfelijk als actief is.

En De taal van de kunstkritiek is een kolfje naar mijn hand. Jaren geleden verbaasde ik mij al over de volstrekt ondoorgrondelijke kunstkritieken van Anna Tilroe en heden ten dage grootmeestert ook Hans den Hartog Jager in cryptische teksten de kunst aangaande en presenteert hij ons kunstwerken waaraan zonder een uitgebreide toelichting op papier geen touw is vast te knopen. Zie Into Nature 2021! Gelukkig ken ik ook een gunstige uitzondering: Gijsbert van der Wal die met Wijd open ogen een verzameling essays over kunst publiceerde. Stuk voor stuk in heldere en toegankelijke taal geschreven. Helaas een grote uitzondering.

De kritiek van Komrij richt zich hierbij vooral op de zogeheten conceptuele kunst, de installaties oftewel de dood in de pot. Joseph Beuys is er ooit mee begonnen. Als die een scheet liet keek hij met verwondering achterom, verbijsterd over het jongste kunstwerk dat hij nu weer had achtergelaten.

Ik word net als Komrij doodziek van kunstenaars die de relatie onderzoeken tussen twee of meer volstrekt onvergelijkbare grootheden. Dat doen ze naar in hun workshop of atelier maar val mij er in een museum niet mee lastig. Nog meer stoor ik me aan museumdirecteuren die deze verzamelingen rotzooi in hun duur gesubsidieerde museale ruimten tentoon menen te moeten stellen. Maar het meeste nog stoor ik me aan de kunstcritici die met open mond van kritiekloze bewondering naar dit soort ‘kunstenaars’ zitten te kijken en de meest rabiate nonsens over hun creatieve processen te berde geven.

Jammer is wel dat Komrij gehinderd wordt door de misvatting dat alleen linkse mensen of feministen zulke baggerkunst produceren. Maar prachtig is dan weer zijn volgende verzuchting: “Da Vinci schildert een boerenmeid met kiespijn. Zij probeert tijdens het poseren zo’n beetje te glimlachen. Haar naam is Mona Lisa”.

Terecht constateert Komrij dat kunstcritici alleen nog maar voor elkaar schrijven, voor de kunstenaars, voor de museumdirecteuren, voor de galeriehouders, voor zichzelf. Toen ik naar aanleiding van de laatste Into Nature een E-mail aan de organisatie i.c. Hans den Hartog Jager schreef, volstond men met een plichtmatig bedankje dat de expositie bij mij toch maar mooi tot een stellingname had geleid. Maar inhoudelijk op mijn grieven (lees ook Komrij) ingaan, ho maar! Het is zoals de schrijver stelt: ”Kunstkritiek is een zichzelf spontaan voortplantend monstrum”. Er is niets veranderd.

Komrij toont zich een scherp analyticus, vaak genadeloos. Ik zei al dat ik niet eerder iets van hem las. Ik kende hem slechts van incidentele optredens op de treurbuis en leerde hem daar kennen als een wat amechtig spreker die eerst en vooral de indruk wekte een misantroop te zijn. Maar wat wil je ook als hij schrijft: “Geboren worden betekent dat je vanaf je wieg zit opgescheept met misbaksels die zichzelf je medemens noemen. Sterven betekent dat je in je kist ligt zonder er ooit een te hebben ontmoet”.

Hoe het ook zij, tien jaar na zijn dood blijkt Komrij nog steeds goed leesbaar, goed te pruimen te zijn. Hij kan schrijven en polemiseren en wat mij vooral ook bevalt: hij weet zichzelf te relativeren, heeft geen al te hoge dunk van zichzelf en dat komt de waarachtigheid zeer ten goede. Ik heb veel plezier aan dit boek beleefd.

 

Enno Nuy
Augustus 2022