ambo ׀ anthos, 216 pagina’s

 

Een nieuwe Kalman Stefánsson, zoals gewoonlijk voortreffelijk in fraai Nederlands vertaald door Marcel Otten, zoals gewoonlijk voorzien van een sfeervolle omslag door Marry van Baar. Vanaf het eerste boek dat van deze IJslandse schrijver hier verscheen had ik het gevoel kennis te hebben gemaakt met een van de grote hedendaagse Europese schrijvers, een indruk die met iedere nieuwe roman alleen maar herbevestigd wordt.

Opnieuw laat Kalman Stefänsson zien wat voor een voortreffelijk verhalenverteller hij is. Dit keer een verhaal over vier generaties, verteld met de stem van een jongen van een jaar of acht, die graag met zijn tinnen soldaatjes speelt. De meest pregnante figuur in deze kleine familiesaga is de overgrootvader, die aan de ene kant ervan droomt carrière te maken maar zich anderzijds realiseert dat het in het leven om iets anders gaat. Zijn vriend, die wel een succesvol zakenman wordt, voelt haarfijn aan waarom de overgrootvader een benijdenswaardig man is: “… en als wij hier in deze kamer zitten, een sigaar roken en met elkaar kletsen, dan krijg ik soms het gevoel dat hij van ons beiden een waarachtiger mens is, snap je wat ik bedoel? Een mens die zichzelf volgt en niemand anders, terwijl wij gemuilkorfd zijn door, nou ja, door onze gewoontes, denk ik zo, wij zijn gevormd door onze tijd, maar hij is tijdloos, onafhankelijk…”.

Overgrootvader volgt inderdaad alleen zichzelf, en zo wordt zijn jongere echtgenote telkens weer de dupe van de drankzucht die zich om de zoveel tijd onweerstaanbaar opdringt aan haar man. Maar dat neemt niet weg dat de overgrootmoeder op een werkelijk grootse manier na de zoveelste uitspatting van haar echtgenoot het pleit tenslotte in haar voordeel beslecht, door een briefje te sturen met daarop slechts één woord: ‘kom’.

Van de grootouders worden we weinig gewaar, zij waren een soort entr’acte om de vader van de kleine jongen op de wereld te zetten. De vader, een metselaar in een onverslijtbare Trabant, zou uiteindelijk vooral opvallen door zijn tweede echtgenote, ‘stiefmoeder’, een stille vrouw uit een van de vele fjordengebieden van het ongenaakbare eiland, een vrouw die geen tegenspraak duldde maar die taal noch gebaar, laat staan kracht of geweld nodig had om te laten gebeuren wat zij noodzakelijk achtte.

De schrijver schetst het leven van een familie, hij beperkt zich tot een sfeertekening en enkele anekdotes maar hij zal nergens een oordeel uitspreken. Vaak genoeg komt hij tot uiterst geestige maar soms ook heel verdrietige observaties maar hij zal zijn personages nooit veroordelen, ook niet impliciet. Daarmee bewerkstelligt hij dat je met liefde naar zijn personages blijft kijken en tegelijkertijd niet om hun soms merkwaardige gedrag heen kunt. Je vergeeft het hen en hoe zou je ook anders kunnen als je ziet en leest hoe grootmoedig bijvoorbeeld  in dit verhaal overgrootmoeder is.

Zelf ben ik een tamelijk afstandelijk en secundair reagerend mens maar de romans van Kalman Stefánsson laten niet na mij eindeloos te ontroeren. En dat komt omdat zijn verhalen over menselijkheid gaan, over mensen die zich ieder op hun eigen manier door het leven slaan. En als het erop aankomt kan een mens uitsluitend op zichzelf terugvallen om de ingewikkelde werkelijkheid het hoofd te bieden. Het verhaal van overgrootvader is onvergetelijk en buitengewoon ontroerend. De wijze waarop de schrijver de liefdesgeschiedenis tussen de beide echtelieden beschrijft is van een ongekende schoonheid. Zo wil ik over mensen lezen, zo wil ik hen leren kennen. Geen expliciete of plastische taaluitbarstingen in de romans van Kalman Stefánsson en tegelijkertijd is zijn taal glashelder en weet je met enkele zinswendingen en woorden exact wat er zich afspeelde en, belangrijker nog, wat dat voor de hoofdpersonen betekende.

In de verhalen van deze fantastische auteur kom je geregeld een enorme rijkdom aan aforismen tegen. Dat is dit keer wat minder het geval. Maar ook nu weer worden we geregeld vergast op heerlijke taalvondsten en de mooiste was dit keer wel: ‘Roddelpraat is het onkruid van de tong’.

Uiteindelijk, schrijft de jongen, is er niets meer over dan “een niemandsland. Honderdvijftig jaar heb ik beschreven, alle stormen van de wereld in honderdvijftig jaar zitten erin, ja, de sterren en de maan, twee wereldoorlogen, een paardenkar en ruimtevluchten. – Ik heb natuurlijk de hele taal uit de kast moeten halen om zo goed als het ging over hen te vertellen. En gauw is er niets meer wat aan hen herinnert, behalve een schelp en een steen die op een heel klein mensje lijkt”. Wat een geluk dat de jongen besloot zijn verhaal te vertellen! Want het is zoals de Chinese activiste, documentairemaakster en hoogleraar Chinese literatuur Ai Xiaoming schreef: “zonder deze verhalen is de geschiedenis leeg”.

Jón Kalman Stefánsson is een waarlijk groot schrijver.

 

Enno Nuy
Februari 2021