AtlasContact, 735 en 410 (Supplement) pagina’s

Destijds al verslond ik de eerste uitgave van De Laatste Deur van Jeroen Brouwers. Nu is er een nieuwe bijgewerkte editie met een supplement. Wat mij betreft had dat supplement gewoon in de bijgewerkte editie verwerkt kunnen worden maar dat is een bagatelle.

Zoals telkens weer is ook deze pennenvrucht van Brouwers een genot om te lezen. De laatste deur is een verzameling essays en beknopte biografieën van schrijvers of dichters die op enig moment besloten de hand aan zichzelf te slaan. Dit werk mag men gerust Brouwers’ opus magnum noemen. Alles wat hem als schrijver zo ongekend boeiend en meer dan de moeite waard maakt, komt in dit werk samen. Zijn verhalen, polemieken, essays, filippica’s, zonder uitzondering een genot om te lezen; zijn jaloersmakende stijl- en taalbeheersing, ik kan er werkelijk geen genoeg van krijgen. De man oogt broos en oud – hij leefde, vermoed ik toch, een robuust en stevig leven, eindeloos rokend en vermoedelijk even eindeloos drinkend; hij ontzag zichzelf niet of nauwelijks – maar ik hoop dat hij nog lang niet uitgepubliceerd is.

Maar mijn waardering voor Brouwers als schrijver is niet alleen op ‘vorm’ gestoeld. De inhoud, zijn thema, is minstens even belangrijk. Dit werk mag dan een bloemlezing zijn van schrijvers en dichters die zelfmoord pleegden, zij waren niet allen even talentrijk, aan niet allen is een groot schrijver of dichter vroegtijdig verloren gegaan. Op een of andere manier zijn het vooral de verhalen van Brouwers over de minder getalenteerde schrijvers en dichters (denk aan Lucrèce van Hecke of Nico Slothouwer) die mij het meeste bijblijven. Brouwers bezweert voortdurend: oordeel niet! Hij houdt zichzelf strikt aan dit adagio en mede als gevolg daarvan zijn talloze van zijn petit histoires zonder meer ontroerend.

Het meeste plezier beleef ik aan Brouwers de polemist. En daarvan zijn in dit magistrale werk gelukkig weer vele voorbeelden te vinden. Zie hem gal spuwen als hij schrijft: “Houd ver van mij: de gore luizen, het middenstandersvulgus, familieleden, het bemoeizuchtige tuig, De Telegraaf en de TROS, lasteraars, onmachtigen, mislukkelingen, de krankzinnigen van het onaantastbare gelijk, – al dit gespuis dat mij met beitels en schaven achtervolgt om mij, die zo kolossaal ben, te verkleinen tot zijn eigen engte”. Maar dat ‘ben’ in het laatste deel van die zin schuurt, ik zou er altijd ‘is’ hebben geschreven maar ik durf Brouwers nauwelijks tegen te spreken.

Of wanneer Brouwers ’t Hart betrapt op slordig redeneren en inconsistentie bovendien. Ha, dan komt Brouwers pas echt in actie, vol op het orgel en dat moet zelfs Bach-kenner bij uitstek Maarten ’t Hart nog kunnen waarderen.

En in het supplement staat een bij tijd en wijle hilarische filippica tegen D. van Tol, psychiater en psychotherapeut, onder de titel Met D. van Tol naar de bedriegertjes. Wat te denken van deze zin: “Als het iets voorstelt, als dit  moet doorgaan voor wetenschap, hetzij van letterkundige, hetzij van psychiatrische aard, dan bestel ik bij het postorderbedrijf Wehkamp een dwangbuis en een spanlaken en ik vraag aan de postbode of hij mij in deze zaken vastgesnoerd in de kleerkast isoleert en emmers koud water over mij uitstort, want tierend, om mij heen slaand en schoppend van drift, en alles vergruizelend wat mij n de weg staat, zo gedraag ik mij, uit protest tegen deze broodkruimpjes- en kaaskortsjeswetenschap van D. van Tol”.

Dit is Brouwers in optima forma, zulke verhalen lees ik gretig twee maal achter elkaar. Psychiaters mogen op geen enkele vorm van bijval door de schrijver rekenen, Brouwers rekent hen tot de meest abjecte beroepsbeoefenaren; “Ik wist niet dat hij toen al psychiaters bezocht, deze onheilbezweerders, deze onheilbevestigers, deze kletsmeiers”. (p 707)

Waar een wetenschapper zijn verhandeling over zelfmoord zou openen met de taaie kwestie van de definities, Brouwers gaat daar pas op pagina 242 nader op in. En houdt zichzelf aan de zijne: “Zelfmoord is het met voorbedachten rade en in beginsel volledig bij zinnen door eigen toedoen en uit eigen vrije wil verrichten of nalaten van een handeling met het oogmerk daarmee zijn leven te beëindigen”.

En eufemismen kunnen rekenen op hoon van de schrijver, immers: “Wie iemand met voorbedachten rade om het leven brengt, begaat een moord, en niet een ‘doding’; wie zichzelf met voorbedachten rade om het leven brengt, begaat een moord op zichzelf: een zelfmoord”. Niks zelfdoding of erger nog auto-euthanasie.

Ofschoon Brouwers in een hem door Michiel Krielaars afgenomen interview in de NRC van 17 maart 2017 stelt dat een zelfmoord niet ‘begaan’ maar ‘gepleegd’ wordt, is hij daar zelf niet altijd even consistent: in De laatste deur worden toch heel wat zelfmoorden begaan. En nog gekker wordt het wanneer je in een interview door Ranne Hovius in de Volkskrant van 18 maart 2017 precies het tegenovergestelde leest. Maar dat ligt aan de interviewers, niet aan Brouwers.

In het Supplement staat een schitterend essay over Ryunosuke Akutagawa die heldere standpunten inneemt inzake literatuurkritiek: alles wat te maken had met de artistieke kanten van literatuur hoorde in de kunstgeschiedenis thuis, en alles wat te maken had met literatuurhistorie in de faculteit geschiedenis. De rest was volgens Akutagawa flauwekul en kon beter maar geschrapt worden uit het curriculum. Volgt meer behartenswaardigs over taal en het gebruik of misbruik daarvan. Brouwers over taal: “Taal voegt zich naar iedere vorm waarin zij wordt gegoten, evenals gas, en als taal een wapen is, dan alleen bedreigend voor degene die niet ook over dat wapen beschikt”.

U denkt: moet ik echt meer dan duizend pagina’s over zelfmoord tot mij nemen?  Sla ik aan het eind daarvan niet ook de hand aan mijzelf? Normaal gesproken niet, zou ik zeggen. Schrijven over zelfmoord zoals Brouwers dat doet is een totaal andere beleving dan denken over dit onderwerp door een aanstaande zelfmoordenaar. Brouwers heeft met De laatste deur een fenomenale prestatie geleverd. En een literair werk van zeer hoog niveau geschreven.

 

Enno Nuy

Augustus 2018